ECLI:NL:OGHACMB:2018:196

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 oktober 2018
Publicatiedatum
17 december 2018
Zaaknummer
AUA 201702012 - AUA 2018H00161
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:257 BWArt. 1:263 BWArt. 1:266 BWArt. 1:267 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van kind wegens ongeschiktheid moeder

In deze zaak heeft de Voogdijraad hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba waarin het verzoek tot ontzetting van de moeder van het ouderlijk gezag werd afgewezen. Het kind, geboren in 2016 in Colombia, staat sinds november 2016 onder voorlopige voogdij en is geplaatst in een pleeggezin.

Tijdens de procedure is vastgesteld dat de moeder onvoldoende in staat is om het kind de noodzakelijke zorg, veiligheid en aandacht te bieden. Zij is uit huis gezet door haar moeder, heeft geen geschikte woning, een nieuwe partner met een verleden van drugsgebruik, en weigert een drugstest. Het kind is gehecht aan het pleeggezin en fysiek contact met de moeder verloopt problematisch.

Hoewel ontzetting van het gezag een zware maatregel is, acht het Hof een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing de meest passende oplossing. Dit voorkomt langdurige onzekerheid voor het kind en het pleeggezin. De moeder staat open voor begeleiding, maar verkiest een andere gezinsvoogdijmedewerker. Het Hof bevestigt de eerdere beschikking en beveelt de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, met benoeming van een gezinsvoogd.

Uitkomst: Het Hof bevestigt de afwijzing van ontzetting en legt een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing op voor de duur van een jaar.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking in de zaak van:
DE DIRECTIE VOOGDIJRAAD VAN ARUBA,
gevestigd in Aruba,
hierna te noemen: de Voogdijraad,
oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,
gemachtigde: mr. A.M.M. Berkemeyer,
tegen
[de moeder],
wonende in Aruba,
hierna te noemen : de moeder,
procederende in persoon.
De moeder en
[vader], hierna te noemen: de vader, zijn de ouders van:
[kind],
geboren op [geboortedatum] 2016 in Colombia,
hierna te noemen: het kind.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de op 3 oktober 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
1.2.
De Voogdijraad heeft in een beroepschrift, op 30 oktober 2017 ingediend ter griffie van het GEA, dus tijdig, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft de Voogdijraad zijn hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en primair de moeder zal ontzetten van het ouderlijk gezag en subsidiair de moeder zal ontheffen van het ouderlijk gezag.
1.3.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
1.4.
Op 18 september 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen. Voor de Voogdijraad zijn verschenen mw. mr. Yahaira Maduro en mw. J. Brown. Voor de stichting Fundacion Guia Mi, zijnde een voogdij- en gezinsvoogdij-instelling, zijn verschenen mw. Mariella Willems en mw. Nathalie Tromp.
1.5.
Beschikking is bepaald op heden.

2.De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3.Beoordeling

3.1.
Het kind is buiten huwelijk geboren en erkend door de vader. De moeder heeft het eenhoofdig gezag.
3.2.
Op 14 november 2016 is het kind door het openbaar ministerie voorlopig toevertrouwd aan de Voogdijraad (artikel 1:272 BW Pro) en in een pleeggezin geplaatst.
3.3.
Op 24 januari 2017 is de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken (artikel 1:257 BW Pro).
3.4.
Op 7 maart 2017 is de ondertoezichtstelling uitgesproken (artikel 1:254 BW Pro) voor de duur van zes maanden, met – tegen het advies van de Voogdijraad – een thuisplaatsing bij de moeder. De Voogdijraad is niet in hoger beroep gegaan.
3.5.
Op 30 mei 2017 is het kind wederom door het openbaar ministerie voorlopig toevertrouwd aan de Voogdijraad.
3.6.
De Voogdijraad heeft op 16 augustus 2017 bij het GEA ontzetting van de moeder van het gezag verzocht (art. 1:269-270 BW).
3.7.
Op 22 augustus 2017 heeft het GEA, hangende het onderzoek, de moeder geschorst in de uitoefening van het gezag (artikel 1:271 BW Pro) en het kind voor de duur van de procedure voorlopig toevertrouwd aan de Voogdijraad.
3.8.
Het verzoek van de Voogdijraad tot ontzetting is door het GEA in de bestreden beschikking afgewezen. Hiertegen richt zich het appel van de Voogdijraad.
3.9.
In het beroepschrift verzoekt de Voogdijraad primair ontzetting en subsidiair ontheffing van het gezag (artikel 1:266-267 BW). Ter zitting bij het Hof heeft de Voogdijraad meer subsidiair ondertoezichtstelling (art. 1:254 BW Pro) met uithuisplaatsing (artikel 1:263 BW Pro) verzocht.
3.10.
Het Hof is ervan overtuigd op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting – de moeder was aanwezig en is door het Hof gehoord – dat het kind thans in het pleeggezin moet blijven. De moeder is door haar moeder uit huis gezet en heeft kennelijk geen behoorlijke woning. Zij heeft een nieuwe vriend die drugs gebruikt of heeft gebruikt. De moeder is wederom zwanger. Zij heeft een oogaandoening en over haar gezichtsvermogen bestaat onduidelijkheid. Zij heeft een drugstest geweigerd. Bij elkaar genomen leiden deze omstandigheden het Hof tot de conclusie dat de moeder op dit moment onvoldoende in staat is het kind de zorg, de veiligheid en de aandacht te geven die het nodig heeft.
3.11.
Het gaat goed met het kind bij de pleegouders. Het is aan de pleegouders gehecht. Fysiek contact tussen het kind en de moeder is problematisch. Het thans weghalen van het kind bij de pleegouders is in strijd met het belang van het kind dat in de gegeven omstandigheden van dit geval op dit moment zwaarder moet wegen dan het belang van de moeder bij hereniging.
3.12.
Ontneming van het gezag is echter een zware maatregel, ofschoon er ook zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het jarenlang telkens maar weer verlengen van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Ook het pleeggezin moet na niet al te lange tijd weten waar het aan toe is.
3.13.
Alles afwegende acht het Hof op dit moment een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing de meest geëigende maatregel. Per slot van rekening was dat recentelijk ook de bedoeling van de Voogdijraad, maar heeft het GEA beslist tot een thuisplaatsing, hetgeen de Voogdijraad onverantwoord achtte. De moeder heeft ter zitting verklaard thans wel open te staan voor begeleiding, al prefereert zij een vervanging van de gezinsvoogdijmedewerkster.
3.14.
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking, waarin het verzoek tot ontzetting is afgewezen, kan worden bevestigd en dat voorts, op verzoek van de Voogdijraad in hoger beroep gedaan, het Hof een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing zal uitspreken.

4.Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de beschikking waarvan beroep;
- stelt het kind met ingang van heden (23 oktober 2018) onder toezicht voor de duur van een jaar;
beveelt de plaatsing van het kind bij het pleeggezin alwaar het nu verblijft;
- benoemt de stichting Fundacion Guia Mi tot gezinsvoogd;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2018 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.