Uitspraak
Appellante], wonend op Bonaire,
Beslissing
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellante ontving een algemene onderstandsuitkering op grond van artikel 10 van Pro het Besluit onderstand BES vanwege haar arbeidsongeschiktheid en medische redenen. Na haar huwelijk onderzocht de minister het gezinsinkomen en beëindigde de uitkering omdat het gezamenlijke inkomen van appellante en haar echtgenoot ten minste gelijk was aan het minimumloon.
Appellante voerde aan dat haar echtgenoot zijn zorgplicht niet nakomt vanwege psychische problemen en verslaving, en dat zij daarom zelfstandig recht op onderstand zou moeten hebben. Tevens stelde zij dat haar uitkering persoonsgebonden is en dat beëindiging in strijd is met internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel.
Het Hof oordeelde dat appellante niet onder het toepassingsbereik van artikel 10 van Pro het Besluit valt, omdat zij rechtmatig op Bonaire verblijft en geen uitsluitingsgrond van artikel 7 van Pro het Besluit op haar van toepassing is. De gezamenlijke huishouding en het gezinsinkomen vormen de basis voor de beoordeling van het recht op onderstand. Omdat het gezinsinkomen voldoende is, is de beëindiging van de uitkering terecht.
Het beroep op het Gehandicaptenverdrag en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte faalt omdat deze niet van toepassing zijn op Caribisch Nederland. Ook is er geen sprake van strijd met het EVRM of het IVBPR. Het Hof bevestigt daarom het vonnis van het Gerecht en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de onderstandsuitkering bevestigd.