Uitspraak
De door de minister genoemde beschikking van 9 maart 2015 van de Raad gaat over een geschil in het land Sint Maarten. In die beschikking heeft de Raad overwogen dat in Sint Maarten op grond van de daar geldende Precariorechten- en Retributieverordening 1994 geen beroep open staat bij de Raad, nu die verordening niet wordt genoemd in de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALL). Ook in de verordening zelf is niet bepaald dat precariobelasting wordt geheven met toepassing van de ALL, aldus de Raad. Aldus geldt in Sint Maarten andere regelgeving met betrekking tot het heffen van precariobelasting dan in Aruba.
Dat dit Hof in de onderscheiden uitspraken van 4 juni 2008 en 21 november 2005 heeft overwogen dat een factuur waarbij een concessievergoeding in rekening wordt gebracht en de brief waarbij metingskosten op grond van het Kadasterbesluit worden geconcretiseerd beschikkingen zijn in de zin van de Curaçaose onderscheidenlijk Arubaanse Lar, alsmede dat in vonnis in kort geding van 9 januari 2008 is overwogen dat een rechtsingang ontbreekt om een geschil over precariobelasting aan de bestuursrechter voor te leggen, doet evenmin afbreuk aan de door het Gerecht in de uitspraken van 28 augustus 2017 gegeven en in de aangevallen uitspraak gevolgde, op de Arubaanse belastingwetgeving gebaseerde motivering over zijn bevoegdheid op grond van de Landsverordening beroep in belastingzaken.
Daarbij is ook naar het oordeel van het Hof doorslaggevend dat in de door de minister genoemde jurisprudentie niet aan de orde was en hier wel aan de orde is, dat de belastingrechter eerder expliciet door de bevoegde wetgever als bevoegde rechter was aangewezen en dat door een kennelijke omissie die expliciete aanwijzing is komen te ontbreken (zie hiervoor onder 2.1), hetgeen niet de bedoeling van de bevoegde wetgever kan zijn geweest.
Beslissing
1.LARAUA2017H00128
1.AUA201600578
BIJLAGE II
1. De inning van de precario geschiedt voor artikel 1, eerste lid, onderdelen A, onder 3°, B, D tot en met H, I, onder 3°, J tot en met M, N, onder 3°, O, P en Q, onder 3°, alleen de eerste maal, en voor artikel 1, eerste lid, onderdelen A, onder 1° en 2°, C, I, onder 1° en 2°, N, onder 1° en 2°, en Q, onder 1° en 2°, telkens door of namens de Directeur van de Directie Infrastructuur en Planning bij het afgeven van de vergunning tegen afgifte van een kwitantieformulier, waarop na betaling van het verschuldigde bedrag dit bedrag door middel van zegels is aangebracht. Nadat de zegels zijn geplakt, worden zij onbruikbaar gemaakt door een stempelafdruk.