Appellante verzocht de minister om openbaarmaking van alle stukken die hebben geleid tot een bestuursbrief van oktober 2012. Na het uitblijven van een beschikking op het verzoek en het bezwaar, stelde appellante beroep in bij het Gerecht. Dit verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gemeenschappelijk Hof.
Het Hof oordeelde dat de minister slechts gedeeltelijk aan het verzoek had voldaan door geanonimiseerde stukken te verstrekken, waardoor het procesbelang van appellante bleef bestaan. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.
Het Hof benadrukte dat het Gerecht bij de herbeoordeling moet nagaan of de minister zich terecht op artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) heeft beroepen om de stukken niet-geanonimiseerd te verstrekken. Tevens wees het Hof een proceskostenveroordeling af en vergoedde het betaalde griffierecht aan appellante.