ECLI:NL:OGHACMB:2018:240

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
29 oktober 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
BON2018H00002
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet administratieve rechtspraak BESArt. 7 Wet administratieve rechtspraak BESArt. 17 Wet administratieve rechtspraak BESArt. 50 Wet administratieve rechtspraak BESArt. 55 Wet administratieve rechtspraak BES
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen maximale productieprijs elektriciteit en drinkwater

Appellante maakte bezwaar tegen door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vastgestelde maximale productieprijzen voor elektriciteit en drinkwater voor 2017. ACM besloot niet tijdig op de bezwaarschriften, waardoor appellante beroep instelde bij het Gerecht. Dit verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat op het moment van uitspraak al op de bezwaren was beslist en appellante geen procesbelang meer had.

In hoger beroep stelde appellante dat zij wel degelijk procesbelang had, onder meer vanwege een mogelijke toekomstige schadevordering. Het hof verwierp dit omdat ACM erkende niet tijdig te hebben beslist en daarmee onrechtmatig had gehandeld. Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Daarnaast stelde appellante dat het Gerecht ten onrechte ACM niet in de proceskosten had veroordeeld en het griffierecht niet had gelast te vergoeden. Het hof oordeelde dat dit terecht was en veroordeelde ACM tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het hof bevestigde het overige van de uitspraak van het Gerecht.

Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en veroordeelt ACM tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

BON2018H00002
Datum uitspraak: 29 oktober 2018
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 7 december 2017 in zaak nr. WAR BES 23 van 2017, in het geding tussen:
appellante
en
de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Procesverloop
Bij beschikkingen van 16 december 2016 heeft ACM de maximale productieprijs van elektriciteit en drinkwater voor appellante voor 2017 vastgesteld.
Bij brieven van 25 januari 2017, aangevuld op 24 februari 2017, heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.
Bij brief van 30 juni 2017 heeft appellante beroep ingesteld.
Bij beschikking van 12 september 2017 heeft ACM de bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft het Gerecht het op 30 juni 2017 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2018, waar appellante, vertegenwoordigd door mrs. T.L.H. Peeters en T. Breugom, beiden advocaat, en ACM, vertegenwoordigd door mr. L. Jörg en M. Buys-Trimp, beiden werkzaam bij ACM, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES) wordt een weigering om een beschikking te geven gelijk gesteld met een beschikking.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.
Ingevolge artikel 17, zevende lid, houdt de uitspraak van het Gerecht bij gegrondverklaring van het beroepschrift tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem gestorte griffierecht wordt vergoed ten laste van het bij de uitspraak aangewezen overheidslichaam.
Ingevolge artikel 50, negende lid, is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Ingevolge artikel 55 zijn Pro de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft genomen, en het beroep bedoeld in artikel 7, eerste lid, pas in te stellen nadat het bestuursorgaan op het bezwaarschrift heeft beslist.
Ingevolge artikel 69, eerste lid, beslist het bestuursorgaan uiterlijk vier maanden na de datum van indiening van het bezwaarschrift. Deze termijn kan, onder kennisgeving aan de bezwaarde en de andere partijen, eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden verlengd.
Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 69, eerste lid, van de War BES had ACM, nu geen gebruik is gemaakt van de in deze bepaling opgenomen mogelijkheid van verlenging van de beslistermijn, uiterlijk vier maanden na 25 januari 2017 op de bezwaarschriften moeten beslissen. ACM heeft echter pas op 12 september 2017 beslist.
Het Gerecht heeft het op 30 juni 2018 ingestelde beroep niet‑ontvankelijk verklaard op de grond dat, nu op het moment van de uitspraak (7 december 2017) al op de bezwaarschriften was beslist, appellante geen procesbelang meer heeft bij haar beroep.
Appellante heeft in hoger beroep – voor zover van belang – ten eerste aangevoerd dat nog wel sprake is van procesbelang, omdat zij met het oog op een te gelegener tijd mogelijk in te stellen actie tot schadevergoeding belang heeft bij een gegrondverklaring van haar beroep. Dit betoog slaagt reeds niet, omdat ACM in het verweerschrift van 9 augustus 2017 heeft erkend dat zij niet tijdig op de bezwaarschriften heeft beslist en daarmee dat zij in dezen onrechtmatig heeft gehandeld. Het Gerecht heeft daarom, zij het op een andere grond, het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Gerecht wordt daarom in zoverre bevestigd.
Appellante heeft ten tweede aangevoerd dat het Gerecht ten onrechte ACM niet heeft veroordeeld in de proceskosten en niet heeft gelast dat ACM het griffierecht vergoedt. Dit betoog slaagt, zoals ACM ook heeft erkend. De uitspraak van het Gerecht wordt daarom in zoverre vernietigd en het Hof bepaalt dat ACM wordt veroordeeld in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten en gelast dat ACM het door appellante voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt.
ACM wordt ten slotte op na te melden wijze veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 7 december 2017 in zaak nr. WAR BES 23 van 2017, voor zover daarbij is nagelaten de Autoriteit Consument en Markt te veroordelen in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten en te gelasten dat de Autoriteit Consument en Markt het door [appellante] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt;
II.
veroordeeltde Autoriteit Consument en Markt in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van USD$ 977,50;
III.
gelastdat de Autoriteit Consument en Markt het door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van USD$ 252,00;
IV.
bevestigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 7 december 2017 in zaak nr. WAR BES 23 van 2017, voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. T.G.M Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Saleh
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2018