ECLI:NL:OGHACMB:2018:38

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
9 januari 2018
Publicatiedatum
22 februari 2018
Zaaknummer
78031 – H 103/17 – CUR 2017 H 00075
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:29 BWArt. 4:30 BWArt. 4:30a BWArt. 3:220 BWArt. 13 lid 3 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vruchtgebruik woonhuis en auto na overlijden erflater

De zaak betreft een hoger beroep van de stiefzoon tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao waarin de vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik op het woonhuis, de inboedel en een auto ten gunste van de weduwe werd gelast. Het huwelijk tussen de erflater en de weduwe was in gemeenschap van goederen gesloten en het woonhuis was verkregen na afloop van het eerdere huwelijk van de erflater met de moeder van de stiefzoon.

De weduwe vordert op grond van artikel 4:29 en Pro 4:30 BW het vestigen van vruchtgebruik op genoemde goederen. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de stiefzoon gelast mee te werken aan deze vestiging. De stiefzoon stelt onder meer dat de kinderen van de erflater die ook kinderen zijn van de langstlevende echtgenoot een andere positie innemen en dat de weduwe niet behoeftig is.

Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en sluit zich aan bij de oordelen van het Gerecht in eerste aanleg. Het stelt dat de stelplicht en bewijslast omtrent de behoeftigheid van de weduwe bij de stiefzoon liggen, welke niet is voldaan. Ook is het niet relevant dat de nalatenschap nog niet is verdeeld. De proceskosten worden gecompenseerd gezien de relatie tussen partijen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de stiefzoon wordt ongegrond verklaard en de beschikking tot vestiging van verzorgingsvruchtgebruik wordt bevestigd.

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2018 BESCHIKKING NO.
Registratienrs. 78031 – H 103/17 – CUR 2017 H 00075
Uitspraak: 9 januari 2018
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Curaçao,
hierna te noemen: de stiefzoon,
oorspronkelijk verweerder, thans appellant,
gemachtigden: mrs. S.I. Da Costa Gomez en C.A. Peterson,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
hierna te noemen: de weduwe,
oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr.dr. T.F. Smeulders.
De stiefzoon is de zoon en de weduwe is de voormalige echtgenote van:
[naam erflater], overleden op 8 juni 2015 in Curaçao,
hierna te noemen: de erflater.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ-nummer 78031 van 2016 gegeven en op 20 april 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
1.2.
De stiefzoon heeft in een beroepschrift, met producties, per fax ingekomen op 1 juni 2017, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft hij zijn hoger beroep toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en afwijzing van het verzoek van de weduwe, kosten rechtens.
1.3.
Op 14 november 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De stiefzoon is niet verschenen, maar wel mr. Da Costa Gomez, die gepleit heeft aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. De weduwe is verschenen, vergezeld van mr. Smeulders.
1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van het Hof medegedeeld dat heden een beschikking wordt uitgesproken.

2.De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3.Ontvankelijkheid in hoger beroep

De stiefzoon is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

4.Beoordeling

4.1.
Het huwelijk tussen de erflater en de weduwe was gesloten in gemeenschap van goederen. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van de erflater behoort onder meer een aandeel in een woonhuis – welk woonhuis door de erflater was verkregen na afloop van zijn eerdere huwelijk met de moeder van de stiefzoon – met inboedel. Verder hoort onder meer tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap een aandeel in een auto Saturn VUE, bouwjaar 2008.
4.2.
De weduwe maakt jegens de stiefzoon en jegens een ander stiefkind, dat niet in hoger beroep is gekomen, ingevolge artikel 4:29 BW Pro aanspraak op vestiging van een (beschermings)vruchtgebruik op het woonhuis en inboedel. Voorts maakt zij ingevolge artikel 4:30 BW Pro aanspraak op vestiging van een (beschermings)vruchtgebruik op de auto. Het GEA heeft de stiefzoon gelast mee te werken aan vestiging van deze vruchtgebruiken. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de stiefzoon.
4.3.
Het hoger beroep is ongegrond. Het Hof sluit zich aan bij de oordelen van het GEA en maakt deze tot de zijne.
4.4.
Naar aanleiding van de grieven voegt het Hof het volgende toe. In de toelichting op grief 1 stelt de stiefzoon dat indien de kinderen van de erflater tevens kind zijn van de langstlevende echtgenoot zij een vordering hebben op de langstlevende echtgenoot/ouder. Dit is juist, maar deze vordering zou pas opeisbaar zijn bij overlijden van de langstlevende echtgenoot/ouder (artikel 13 lid 3 BW Pro). Deze kinderen worden juist minder gunstig behandeld (in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 BW over de wettelijke verdeling) dan stiefkinderen (in afdeling 2 over onder meer het beschermingsvruchtgebruik). En al ware het anders, kinderen en stiefkinderen verkeren hier niet in een relevant vergelijkbare positie.
4.5.
Dat de nalatenschap van de erflater of de ontbonden huwelijksgemeenschap nog niet verdeeld is, staat aan vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik niet in de weg. Dit vruchtgebruik kan voor de verdeling aldus worden gevestigd dat de twee stiefkinderen op hun aandeel van ieder een zesde in het woonhuis een recht van vruchtgebruik vestigen.
4.6.
Grief 2, die zich richt op de behoeftigheid van de weduwe, faalt. De weduwe heeft naar eigen zeggen een AOV-pensioen van NAf 963,--. Haar zoon die in de Verenigde Staten woont ondersteunt haar financieel met regelmatige maandelijkse bijdragen van US$ 200,-- en haar dochter betaalt, bij wijze van ondersteuning, haar Aqualectra-rekening. Wat het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW Pro (woning en inboedel) betreft, heeft de stiefzoon de stelplicht en bewijslast en heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan. En wat het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW Pro (overige goederen) betreft, is het verweer van de stiefzoon onvoldoende gemotiveerd, ook wat betreft de stelling van de weduwe dat haar maandelijks inkomen lager is dan het minimumloon (artikel 4:30a BW).
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van de stiefzoon nog aangevoerd dat de weduwe financieel niet in staat zal zijn het huis te onderhouden. Wat betreft enerzijds gewone lasten en herstellingen en anderzijds buitengewone herstellingen, zij verwezen naar artikel 3:220 BW Pro. Ter zitting is nog ter sprake geweest dat, nu de weduwe krachtens huwelijksvermogensrecht recht heeft op de helft van de woning en krachtens erfrecht nog eens op een zesde deel, het niet valt uit te sluiten dat – met financiële steun van de zoon van de weduwe – in het kader van de verdeling aan de weduwe het huis zal worden toebedeeld.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bevestigd.
4.9.
Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd.

5.Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de bestreden beschikking;
- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en F.W.J.Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.