ECLI:NL:OGHACMB:2018:38
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vruchtgebruik woonhuis en auto na overlijden erflater
De zaak betreft een hoger beroep van de stiefzoon tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao waarin de vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik op het woonhuis, de inboedel en een auto ten gunste van de weduwe werd gelast. Het huwelijk tussen de erflater en de weduwe was in gemeenschap van goederen gesloten en het woonhuis was verkregen na afloop van het eerdere huwelijk van de erflater met de moeder van de stiefzoon.
De weduwe vordert op grond van artikel 4:29 en Pro 4:30 BW het vestigen van vruchtgebruik op genoemde goederen. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de stiefzoon gelast mee te werken aan deze vestiging. De stiefzoon stelt onder meer dat de kinderen van de erflater die ook kinderen zijn van de langstlevende echtgenoot een andere positie innemen en dat de weduwe niet behoeftig is.
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en sluit zich aan bij de oordelen van het Gerecht in eerste aanleg. Het stelt dat de stelplicht en bewijslast omtrent de behoeftigheid van de weduwe bij de stiefzoon liggen, welke niet is voldaan. Ook is het niet relevant dat de nalatenschap nog niet is verdeeld. De proceskosten worden gecompenseerd gezien de relatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de stiefzoon wordt ongegrond verklaard en de beschikking tot vestiging van verzorgingsvruchtgebruik wordt bevestigd.