ECLI:NL:OGHACMB:2018:96

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
29 mei 2018
Publicatiedatum
13 juni 2018
Zaaknummer
AR 33/15 - H 109/17 - CUR2017H00121
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 huurcontract
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling verrekenbaar bedrag huurwoning in slechte staat met koopoptie

In deze civiele zaak gaat het om een geschil over een huurwoning met koopoptie op Bonaire, waarbij appellant het recht heeft om bepaalde kosten te verrekenen op grond van het huurcontract. Het Hof beoordeelt meerdere deskundigenrapporten over de onderhoudstoestand van de woning en de noodzakelijke reparaties en vernieuwingen.

De woning werd bij aanvang in slechte staat geleverd, maar was recentelijk bewoond toen de huur aan geïntimeerde 2 werd overgedragen. Diverse rapporten van deskundigen geven uiteenlopende bedragen voor herstelkosten, variërend van circa US$ 6.700 tot US$ 31.300. Het Hof weegt deze rapporten en stelt vast welke posten reparaties of vernieuwingen betreffen volgens het huurcontract.

Het Hof concludeert dat appellant een hoger bedrag dan eerder vastgesteld kan verrekenen, namelijk US$ 11.200 in plaats van US$ 1.530. Het eerdere vonnis wordt voor dit onderdeel vernietigd en het nieuwe bedrag vastgesteld. Voor het overige wordt het vonnis bevestigd. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het door appellant te verrekenen bedrag wordt vastgesteld op US$ 11.200 in plaats van US$ 1.530.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:
Registratienummer: AR 33/15 - H 109/17 - CUR2017H00121
Uitspraak: 29 mei 2018
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende op Bonaire,
oorspronkelijk gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. L.M.G. Dundas,
tegen
1.
[GEÏNTIMEERDE 1],
2.
[GEÏNTIMEERDE 2],
beiden wonende op Bonaire,
oorspronkelijk eisers,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. M. Bijkerk.
De partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk ook [geïntimeerden] genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 6 februari 2018 (hierna: het tweede tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor gelijktijdige antwoordakten aan beide zijden. Op 6 maart 2018 is van beide zijden een antwoordakte ingediend. Bij de antwoordakte van [geïntimeerden] zijn producties gevoegd. Vonnis is nader bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij de antwoordakte van [geïntimeerden] is een rapport van [deskundige 1] gevoegd. Dit rapport is tijdig tevoren aan de wederpartij toegezonden. De inhoud van dit rapport zal het Hof daarom in de beoordeling betrekken.
[appellant] heeft echter niet kunnen reageren op de toelichting die [geïntimeerden] in hun antwoordakte geven op dit rapport. Die toelichting laat het Hof daarom buiten beschouwing, behoudens voor zover die stellingen ten gunste van [appellant] bevat.
2.2
Het Hof zal het bedrag vaststellen dat [appellant] bevoegd is te verrekenen ingevolge art. 4 van Pro het huurcontract. Het Hof ziet af van de benoeming van een deskundige en
2.3
Het huurcontract vermeldt dat het huis "in slechte staat van onderhoud" is geleverd. In het inleidend verzoekschrift hebben [geïntimeerden] gesteld dat [geïntimeerden] vele jaren in het huis hebben gewoond, dat [geïntimeerde 1] in 2010 is hertrouwd en dat daarna het huis aan [geïntimeerde 2] is verhuurd (bij huurcontract van 1 januari 2011). Hieruit leidt het Hof af dat het huis, toen het aan [geïntimeerde 2] verhuurd werd, recentelijk bewoond was geweest. Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] gesteld dat de woning in vrijwel onbewoonde staat (bedoeld zal zijn: vrijwel onbewoonbare staat) verkeerde. Bij memorie van grieven is als productie 4 het rapport van [deskundige 2] gevoegd. Het staatje sluit op US$ 35.260,00 en betreft kennelijk de situatie per datum opname, 23 november 2015. Ook de foto's bij dat rapport zijn kennelijk op die datum genomen.
Bij de akte van 9 januari 2018 is het rapport van [deskundige 3] gevoegd. Dit rapport geeft een beschrijving van de bebouwingen, de onderhoudstoestand en een kostenraming, en is gedateerd op 20 november 2017. De foto's bij dat rapport zijn kennelijk op of rond die datum genomen. Bij de antwoordakte van 6 maart 2018 is het rapport van [deskundige 1] gevoegd. Dit rapport gaat in op de vraag in hoeverre de in het rapport van [deskundige 3] genoemde posten reparaties of vernieuwingen betreffen. [deskundige 1] is daarbij uitgegaan van opgaven van [geïntimeerde 2]. Er zijn foto's in het rapport verwerkt, kennelijk van de opnamedata 14 en 16 februari 2018.
2.4
Het Hof komt tot de volgende vaststelling (US$):
[deskundige 3] [deskundige 1] Hof
a. Deuren 3.600 1.000 2.300
b. Ramen 2.500 1.500 2.000
c. Douche-toilet 2.500 - 1.000
d. Terrasoverkapping 5.500 - -
e. Terrasvloer 3.000 - -
f. Buitenmuren 1.800 200 200
g. Plafonds 2.100 900 900
h. Keukenvloer 300 300 300
i. Keukenkasten+tegels 4.500 1.300 3.000
j. Elektra 4.000 1.000 1.000
k. Waterleiding 500 500 500
l. Optelfout 1.000 - -
------- + ------- + ------- +
Totaal 31.300 6.700 11.200
===== ==== =====
2.5
Toelichting op de begrote bedragen:
a. Nu [geïntimeerde 2] aan [deskundige 1] heeft opgegeven dat de deuren "waarschijnlijk gerepareerd hadden kunnen worden", neemt het Hof aan dat er met betrekking tot de deuren reparaties of vernieuwingen in de zin van art. 4 huurcontract Pro nodig waren.
b. Het rapport van [deskundige 1] vermeldt niet dat er geen reparaties of vernieuwingen in de zin van art. 4 huurcontract Pro aan de ramen nodig waren. Het Hof neemt aan dat die wel nodig waren.
c. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat reparaties of vernieuwingen in de douche/toiletruimte nodig waren, maar nu [geïntimeerde 2] akkoord gaat met US$ 1.000 voor betegeling, zal het Hof dat bedrag in de begroting opnemen.
d en e. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat reparaties of vernieuwingen voor een terras nodig waren.
f. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat reparaties of vernieuwingen aan de buitenmuren nodig waren, behalve met betrekking tot de door [deskundige 1] geconstateerde aanhelingen.
g. Het aanbrengen van een plafond waar geen plafond aanwezig was, is een verbetering en geen reparatie of vernieuwing. Op basis van het rapport van [deskundige 1] wordt aangenomen dat een reparatie nodig was aan het plafond in de woonkamer.
h en i. Onvoldoende gemotiveerd is betwist dat de keuken moest worden vernieuwd en dat dus niet kon worden volstaan met herstel van bestaande keukenkasten.
j. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat meer reparaties of vernieuwingen aan de elektra nodig waren dan voor het door [deskundige 1] begrote bedrag.
k. Voldoende aannemelijk is dat de werkzaamheden aan de waterleiding aangemerkt kunnen worden als reparaties of vernieuwingen in de zin van art. 4 huurcontract Pro.
l. Een optelling van de bedragen van [deskundige 3] komt uit op US$ 30.300, maar hij heeft US$ 31.300 als totaalbedrag vermeld. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is van een optelfout.
Alle posten: de vaststelling is mede gebaseerd op intuïtie en algemene ervaringsregels en op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en nader onderbouwd, zoals in het tweede tussenvonnis in rov. 2.2 in het vooruitzicht is gesteld en hiervoor in rov. 2.3 nader is toegelicht.
2.6
Grief 2 slaagt in zoverre dat [appellant] een hoger bedrag dan US$ 1.530,00 kan verrekenen, namelijk US$ 11.200,00. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd. Voor het overige falen de grieven en zal het bestreden vonnis worden bevestigd. Nu partijen in hoger beroep over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten daarvan worden gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch slechts voor zover daarbij is bepaald dat het door [appellant] te betalen bedrag wordt verminderd met
het te verrekenen bedrag van US$ 1.530,00;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat het door [appellant] te betalen bedrag wordt verminderd met het te verrekenen bedrag van US$ 11.200,00, met bepaling dat het verschil doorwerkt in het te betalen bedrag aan wettelijke rente;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.