ECLI:NL:OGHACMB:2019:110
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verjaring vorderingen grondhuur en onrechtmatige toestand
In deze zaak stond centraal de vraag of de vorderingen van appellante, die de huurster was van een perceel grond met daarop een opstal, nog toewijsbaar waren. Appellante was gelegateerd door haar pleegmoeder, die de rechten had als huurder van de grond. Na een opzeggingsbrief van de erven van de grondeigenaar in 2009 en de ontruiming van de huurder van het pand, werd de nakoming van de huurovereenkomst betwist.
Het hof oordeelde dat de vorderingen tot nakoming van de huurovereenkomst en tot opheffing van een onrechtmatige toestand op grond van de wet waren verjaard, aangezien de verjaringstermijn in december 2010 was gaan lopen en appellante pas in 2016 haar vorderingen instelde. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verjaring was gestuit.
Verder werd vastgesteld dat er geen sprake was van een opstalrecht, maar van grondhuur, en dat de eigendom van de opstal steeds bij de grondeigenaren bleef. Het hof bevestigde het vonnis van de eerste aanleg en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de vorderingen van appellante verjaard zijn en wijst het hoger beroep af.