Uitspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
CUR2018H00415:
[Verzoeker 1],
CUR2018H00417:
[Verzoeker 2],
[e-mailadres 1]
[e-mailadres 2]
[e-mailadres 3], [e-mailadres 4]en
[e-mailadres 5]
1. Verder verloop van de procedure
eenfamilierechtelijkebetrekking is ontstaan ten tijde van de erkenning — deze kwestie is in de onderhavige procedure niet aan de orde — maar kan niet tot het
Nederlanderschapdoor de erkenning hebben geleid. In de voornoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad is de daarop afgestemde tweede vraag van het Hof ontkennend beantwoord. De Hoge Raad concludeert: