Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.Beoordeling
[appellant] v. [naam 3] c.s.(AUA201400132 – AUA2017H00195) deze stelling verworpen. Er heeft volgens het Hof geen verbeurte plaatsgevonden.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, waarin hij werd bevolen om de tenaamstelling van diverse bank- en effectenrekeningen en registers te wijzigen ten gunste van de executeur testamentair van de nalatenschap van zijn moeder.
Appellant stelde dat hij door verbeurte krachtens artikel 4:1090 BW Pro-AUA rechthebbende was geworden op (het merendeel van) de nalatenschap. Dit standpunt werd echter verworpen door het Hof, dat tevens bevestigde dat geen verbeurte had plaatsgevonden.
Het Hof sloot zich grotendeels aan bij het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg, met uitzondering van het maximum van de dwangsom, dat werd verlaagd van Afl. 100 miljoen naar Afl. 10 miljoen. Tevens bepaalde het Hof dat eventuele dwangsommen ten goede komen aan de gezamenlijke erfgenamen, zonder uitsluiting van appellant.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de overdracht van goederen op basis van algehele volmachten aan appellant ongeldig is wegens Selbsteintritt. De kosten van het hoger beroep worden aan appellant opgelegd ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen.
Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat appellant de tenaamstelling moet wijzigen ten gunste van de executeur en stelt het maximum dwangsombedrag op Afl. 10 miljoen.