Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
- verwerping van de uitspraak van 9 juli 2018 van het Gerecht in Eerste Aanleg wegens het feit dat het convenant nog steeds staat ingeschreven en de verzoening niet is ingeschreven en dat aldus de scheiding van tafel en bed in stand blijft;
- te bepalen dat er geen sprake kan zijn van een verzoening wegens het ontbreken van een rechtsgrond en een rechtsvordering niet meer kan worden ingesteld nu erflater is overleden en dat aldus de scheiding van tafel en bed in stand is gebleven;
- dat de appellanten, wettige erfgenamen, wel degelijk onder "derden" vallen nu de nalatenschap tussen geïntimeerde en de appellanten moet worden geregeld waarbij de vermeende verzoening appellanten niet kan worden tegengeworpen;
- dat de erfgenamen alsnog uitvoering geven aan het ingeschreven convenant van 1982;
- te bepalen dat nu het huwelijk door de dood tot een einde is gekomen alle erfgenamen recht hebben op een/vijfde deel van de nalatenschap, zijnde een vijfde deel van hoffie Liverpool plus opstal en woonhuis Liverpool, met uitzondering van hetgeen erflater heeft gekregen na registratie van de scheiding van tafel en bed en het daarbij behorende opgemaakte convenant in 1982, zijnde de handdruk/ontslagvergoeding verkregen in 1985, welke alleen toekomt aan appellanten, elk voor een vierde deel; Dat het Hof de deling en de waarde voor verdeling volgens convenant aanhoudt op grond van de uitspraak van ARUBA waarbij elke waardevermeerdering tot aan de dood buiten beschouwing blijft en ook rekening wordt gehouden met het feit dat geïntimeerde nooit huur heeft betaald voor wonen in Liverpool maar altijd vrije woning heeft genoten,