Uitspraak
1. de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 1],
2. de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 2],
de gezamenlijke erfgenamen van [GEÏNTIMEERDE sub 3],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant vorderde dat het Hof zou verklaren dat hij door extinctieve verjaring sinds 2009 eigenaar is van twee percelen grond in Sint Maarten, waarop hij appartementen heeft gebouwd en die hij bewoont en verhuurt sinds de jaren tachtig. Hij stelde dat hij de percelen ononderbroken twintig jaar in bezit had, maar niet te goeder trouw was.
Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat appellant de bewijslast droeg om het langdurige bezit aan te tonen en liet hem toe dit bewijs te leveren. Appellant hoorde drie getuigen, maar hun verklaringen verschilden sterk over het moment waarop het bezit zou zijn begonnen (1983, 1996 en 2006). Ook ontbrak schriftelijk bewijs zoals bouwvergunningen, energieleverantie of huurontvangsten.
Het Hof oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn bewijsopdracht. De tegenstrijdige getuigenverklaringen en het ontbreken van schriftelijk bewijs maakten zijn stelling onvoldoende aannemelijk. Ook was geen sprake van herneming of stuiting van het bezit door de erven. Het Hof verwierp het beroep en bevestigde het bestreden vonnis. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van de erven.
Uitkomst: Het Hof wijst het beroep af en bevestigt dat appellant niet heeft bewezen eigenaar te zijn geworden door verkrijgende verjaring.