Appellant trad in 2010 in dienst van het Land Aruba als bewakingsmedewerker met een arbeidsovereenkomst voor de duur van het kabinet Eman I, later verlengd voor het kabinet Eman II tot 31 oktober 2017. Na het aftreden van het kabinet Eman II en de verkiezingen in september 2017 ontstond onduidelijkheid over voortzetting van het dienstverband.
De ministerraad besloot in augustus 2017 om appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden, maar deze beslissing werd in december 2017 ingetrokken vanwege het demissionaire karakter van het kabinet en het nieuwe kabinet Wever-Croes. Appellant werkte niet meer vanaf 1 november 2017 en het dienstverband liep van rechtswege af.
Appellant vorderde in eerste aanleg onder meer herplaatsing en loonbetaling, stellende dat het ontslag kennelijk onredelijk was. Het Gerecht wees deze vorderingen af. In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel, overwegende dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan verlenging van zijn arbeidsovereenkomst, mede omdat de besluiten van augustus en oktober 2017 niet bindend waren en het nieuwe kabinet hierover moest beslissen.
Het Hof oordeelde dat appellant zich bewust was van de tijdelijke aard van zijn dienstverband en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat hij mocht vertrouwen op voortzetting. De bestreden beschikking werd bevestigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.