Uitspraak
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van het Gerecht.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende verhuurt een pand te Curaçao en factureerde in 2011 de huur voor het gehele jaar 2012 in één keer zonder omzetbelasting in rekening te brengen. Door een wetswijziging per 1 januari 2012 werd het begrip ondernemer uitgebreid, waardoor belanghebbende vanaf die datum als ondernemer in de zin van de Landsverordening omzetbelasting 1999 (LvOB) wordt aangemerkt.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete op over 2012, omdat belanghebbende geen omzetbelasting had voldaan. Het Gerecht vernietigde deze aanslag en boete, oordelend dat de belasting pas in 2013 verschuldigd werd. De Inspecteur ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende door de verhuur en het innen van huurinkomsten een economische activiteit verricht en dus ondernemer is sinds 1 januari 2012. De verhuur betreft een doorlopende dienst waarvoor een factuur over een kalenderjaar mag worden uitgereikt. Omdat belanghebbende de jaarfactuur over 2012 niet binnen vijftien dagen na 31 december 2012 heeft uitgereikt, werd de omzetbelasting pas op 15 januari 2013 verschuldigd.
Daarom is de naheffingsaanslag over 2012 onterecht opgelegd en dient deze samen met de boetebeschikking te worden vernietigd. Het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt niet behandeld omdat zij daartegen geen zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting en de boetebeschikking over 2012 worden vernietigd omdat de belasting pas in 2013 verschuldigd werd.