Uitspraak
verklaarthet verzet
gegrond;
verstaatdat de griffier van het Hof de door opposanten voor de behandeling van het verzet gemaakte proceskosten ten bedrage van NAf. 1.400,00
vergoedt.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Opposanten, bestaande uit zes vennootschappen, hadden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat opposanten geen belang zouden hebben bij een oordeel in hoogste instantie.
Opposanten deden hiertegen verzet en stelden dat er wel degelijk sprake is van procesbelang, met name om duidelijkheid te verkrijgen over het rechtskarakter van brieven van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) en de opdracht aan CBCS om nieuwe inhoudelijke beslissingen te nemen op hun bezwaren.
Het Hof oordeelde dat het verzet gegrond is, vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en besloot het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Tevens werd een termijn gesteld voor het indienen van gronden en verweerschrift, en werd CBCS opgedragen uiterlijk 1 oktober 2019 nieuwe beslissingen te nemen die deel zullen uitmaken van het geding.
Het Hof wees proceskosten toe aan opposanten en stelde de behandeling van het hoger beroep in de week van 11 november 2019 in.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep is gegrond verklaard en het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard voor inhoudelijke behandeling.