ECLI:NL:OGHACMB:2019:206

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
8 april 2019
Publicatiedatum
31 december 2019
Zaaknummer
CUR2018H00045
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 79 lid 4 LarArt. 80 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep door Gemeenschappelijk Hof

Opposanten, bestaande uit zes vennootschappen, hadden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat opposanten geen belang zouden hebben bij een oordeel in hoogste instantie.

Opposanten deden hiertegen verzet en stelden dat er wel degelijk sprake is van procesbelang, met name om duidelijkheid te verkrijgen over het rechtskarakter van brieven van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) en de opdracht aan CBCS om nieuwe inhoudelijke beslissingen te nemen op hun bezwaren.

Het Hof oordeelde dat het verzet gegrond is, vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en besloot het hoger beroep inhoudelijk te behandelen. Tevens werd een termijn gesteld voor het indienen van gronden en verweerschrift, en werd CBCS opgedragen uiterlijk 1 oktober 2019 nieuwe beslissingen te nemen die deel zullen uitmaken van het geding.

Het Hof wees proceskosten toe aan opposanten en stelde de behandeling van het hoger beroep in de week van 11 november 2019 in.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep is gegrond verklaard en het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 april 2019
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
ENVAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het verzet (artikel 79, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 80 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)) van:
1. de naamloze vennootschap RHM Management and
Investment Company N.V.,
2. de besloten vennootschap Continual B.V.,
3. de naamloze vennootschap Carribean Cash Services N.V.,
4. de besloten vennootschap Bignet B.V.,
5. de besloten vennootschap Joyfields International B.V. en
6. de besloten vennootschap Horizon Financing Curaçao B.V.,
opposanten,
tegen de uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Curaçao, van 4 februari 2019 in zaken nrs. CUR2018H00457 t/m 462 en CUR2018H00463, in het geding tussen:
opposanten
en
de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (de CBCS).
Procesverloop
Bij uitspraak van 4 februari 2019 heeft de voorzitter van het Hof het door opposanten tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 12 november 2018 (ECLI:NL:OGEAC:2018:281) ingestelde hoger beroep met toepassing van artikel 79, vierde lid, van de Lar niet-ontvankelijk verklaard.
Daartegen hebben opposanten verzet gedaan.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2019, waar opposanten, vertegenwoordigd door mrs. M.F. Bonapart en G.P. Roth, beiden advocaat, zijn verschenen.
Overwegingen
De voorzitter van het Hof heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat opposanten met het hoger beroep feitelijk niet in een betere uitgangspositie kunnen geraken en hieruit volgt dat zij geen belang hebben bij een oordeel over de uitspraak van het Gerecht.
Opposanten hebben in verzet terecht betoogd dat - wel - sprake is van procesbelang bij het hoger beroep. Dat belang is - in elk geval - gelegen in het verkrijgen van een oordeel in hoogste instantie over het rechtskarakter van de aan hen gerichte brieven van de CBCS van 2 mei 2017 en over de beslissing van het Gerecht om de CBCS op te dragen nieuwe en dan inhoudelijke beslissingen te nemen op de bezwaren van opposanten tegen die brieven.
Het verzet is gegrond, waaruit volgt dat de uitspraak van de voorzitter van het Hof van 4 februari 2019 vervalt.
Het Hof ziet op na te melden wijze aanleiding tot vergoeding van proceskosten aan opposanten.
Het Hof wil het hoger beroep behandelen in de week van 11 november 2019. Allereerst zullen nu opposanten in de gelegenheid worden gesteld de gronden van het hoger beroep in te dienen, waarna de CBCS zal worden uitgenodigd een verweerschrift in te dienen. Daarna zal het Hof, ter voorbereiding van de behandeling ter zitting in hoger beroep, aan partijen schriftelijke vragen stellen. Het Hof wijst er verder op dat de door de CBCS te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren van rechtswege deel zullen gaan uitmaken van het geding in hoger beroep. In verband daarmee acht het Hof het wenselijk dat die beslissingen uiterlijk op 1 oktober 2019 worden genomen en meteen aan het Hof worden gestuurd.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
verklaarthet verzet
gegrond;
II.
verstaatdat de griffier van het Hof de door opposanten voor de behandeling van het verzet gemaakte proceskosten ten bedrage van NAf. 1.400,00
vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Simons
voorzitter
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019.