Uitspraak
3.Het hoger beroep van USZV
4.Het hoger beroep van WGK
Het betoog faalt.
Slotsom
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft op 9 juli 2019 uitspraak gedaan in het hoger beroep van USZV en WGK tegen een eerdere uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. Het geschil betrof de naheffing van premies voor de ongevallen- en ziekteverzekering over het jaar 2014.
USZV had een naheffingsaanslag opgelegd aan WGK, die bezwaar maakte en in eerste aanleg gelijk kreeg. Het Gerecht oordeelde dat oproepkrachten niet als werknemers in de zin van de Landsverordening Ongevallenverzekering (LvOv) en de Landsverordening Ziekteverzekering (LvZv) konden worden aangemerkt, waardoor geen premie verschuldigd zou zijn. Het Hof corrigeerde dit oordeel voor de LvOv en stelde dat oproepkrachten wel onder de definitie van werknemer vallen, mits er sprake is van een gezagsverhouding.
USZV had echter onvoldoende gemotiveerd dat een dienstverband bestond, en het vermoeden van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7A:1613ca BW was niet van toepassing omdat niet was aangetoond dat oproepkrachten structureel voldoende uren werkten. Het Hof verklaarde het hoger beroep van USZV ongegrond. Het hoger beroep van WGK werd eveneens afgewezen, waarbij het Hof onder meer oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht betrekking had op het hele jaar 2014, de variabele looncomponenten correct waren meegenomen en de loongrens juist was toegepast.
De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het Gerecht en legt WGK de premieplicht voor 2014 op. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van USZV en WGK wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag voor 2014 wordt bevestigd.