Uitspraak
Procesverloop
- de vennootschap moet jaarlijks, uiterlijk 30 april, haar jaarrekening van het voorafgaande kalenderjaar aan CBCS overleggen;
- de vennootschap zal een maand na ieder kalenderkwartaal aan CBCS opgave moeten doen van haar uitstaande kredieten, verstrekte kredieten en afgeloste kredieten op het bijgesloten kwartaalrapportageformulier (hierna: de rapportagevoorschriften).
CBCS heeft in het verweerschrift in hoger beroep toegelicht (hierna: de toelichting) dat zij op adequate wijze het aan haar opgedragen toezicht moet kunnen uitoefenen. Analyse van de jaarrekening geeft CBCS inzicht in de financiële gezondheid van een bank- of kredietinstelling. CBCS heeft deze informatie nodig om een instelling te kunnen categoriseren in het kader van risico-georiënteerd toezicht en om inzicht te krijgen in de gehele microkredietsector. CBCS maakt met de verkregen gegevens een macro‑economische analyse van de sector en indien noodzakelijk kan worden ingespeeld op zorgelijke ontwikkelingen. Indien een instelling financieel ongezond is, kan dit leiden tot overkreditering en te hoge rentetarieven. Dit benadeelt uiteindelijk de consument. In de ontheffing is vervat dat zij bevoegd is de ontheffing te doen vervallen indien blijkt dat appellante niet voldoet aan de vereisten voor ontheffing of aan de daaraan verbonden voorschriften, aldus CBCS.
- de artikelen 9 en 10 van de Ltbk in dit geval niet van toepassing zijn;
- in de bevoegdheid tot verlening van de ontheffing besloten ligt de bevoegdheid om de ontheffing in te trekken als niet aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan;
- appellante – stelselmatig – niet aan die voorwaarden heeft voldaan en dat appellante in bezwaar niet alsnog aan de voorwaarden heeft kunnen voldoen;
- appellante voldoende is gewaarschuwd en dat, ook als de artikelen 9 en 10 van de Ltbk wel van toepassing zouden zijn, CBCS niet gehouden was eerst minder vergaande handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete in te zetten;
- CBCS bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot intrekking van de ontheffing heeft kunnen besluiten;
- het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is gedaan in strijd met de goede procesorde;
- buiten beschouwing kan blijven of de kwestie van de betrouwbaarheid van de directeur van appellante alsnog aan de bestreden beschikking ten grondslag mocht worden gelegd, nu deze kwestie niet aan de afwijzende beschikking ten grondslag is gelegd.
Het betoog faalt.
Beslissing