ECLI:NL:OGHACMB:2020:212

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
CUR2019H00153
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWArt. 5:15 Wet financiële markten BESArt. 7:20 Besluit financiële markten BESArt. 7:76 Burgerlijk Wetboek van NederlandArt. 4 Besluit kredietvergoeding
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

APR van meer dan 27% is nietig ook bij krediet met looptijd van zes maanden

RHM Management and Investment Company N.V. is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao waarin haar vordering tot betaling van een restant lening werd afgewezen. De lening bedroeg NAf 1.000 met een APR van 184,09% en een looptijd van zes maanden.

Het Hof overweegt dat op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro een APR van meer dan 27% nietig is, ook bij kortlopende kredieten. Hoewel het eerdere arrest betrekking had op kredieten met een looptijd van een jaar of langer, ziet het Hof geen reden om dit niet toe te passen op de onderhavige kortlopende lening. De toegestane APR voor zes maanden bedraagt maximaal 13,5%.

Omdat [Geïntimeerde] al ruim 40% van de hoofdsom heeft betaald, wijst het Hof de vordering van RHM af en bevestigt het het vonnis van eerste aanleg. RHM wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die nihil worden begroot.

Uitkomst: Het Hof wijst de vordering van RHM af en bevestigt het vonnis van eerste aanleg vanwege nietigheid van de hoge APR.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR 201804063 – CUR2019H00153
Uitspraak: 15 september 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RHM MANAGEMENT AND INVESTMENT COMPANY N.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
tegen
[Geïntimeerde],
wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
niet verschenen.
De partijen worden hierna RHM en [Geïntimeerde] genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij appelschrift van 29 april 2019 is RHM in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 18 maart 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
1.2
In dat appelschrift heeft RHM grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende [Geïntimeerde] zal veroordelen om aan RHM te betalen een bedrag van NAf 628,51, te vermeerderen met 15% buitengerechtelijke incassokosten en met de boeterente van 10% per maand, berekend vanaf
25 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de proceskosten in beide instanties.
1.3
Op de rol 18 februari 2020 heeft RHM schriftelijke pleitnotities ingediend.
1.4
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1
De gevorderde hoofdsom van NAf 628,51 betreft het onbetaalde restant van de lening die RHM op 24 september 2014 aan [Geïntimeerde] heeft verstrekt. Het geleende bedrag was NAf 1.000,-, vanaf 28 september 2014 terug te betalen in maandelijkse termijnen van NAf 346,17, uitgaande van een APR van 184,09%. De afsluitkosten bedroegen 35% van het kredietbedrag. Het terug te betalen bedrag kwam daarmee uit op in totaal NAf 2.077,-. Dit alles stond in de door [Geïntimeerde] getekende overeenkomst omschreven. Blijkens het aanvraagformulier werkte [Geïntimeerde] ten tijde van de aanvraag - sinds 20 augustus 2012 - bij Vanddis N.V. tegen een salaris van NAf 1.443,26 bruto (NAf 1.006,08 netto) per maand. RHM heeft geen zekerheden bedongen.
2.2
In zijn recente vonnis van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84)) heeft het Hof in een Arubaanse zaak overwogen dat voor de soort overeenkomst waar het in die zaak over ging - kredietverlening aan consumenten met een (vaste) baan voor een looptijd van een jaar of langer, waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen - tot nader order van de wetgever in zowel Aruba als in Curaçao en Sint Maarten zal worden aangenomen dat een APR van meer dan 27%, ook al is deze expliciet overeengekomen en zijn de daaruit voortvloeiende verplichtingen duidelijk omschreven, nietig is op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro.
2.3
Het Hof ziet vooralsnog geen reden om deze lijn niet door te trekken naar overeenkomsten als de onderhavige met een looptijd van zes maanden nu niet is gebleken van gronden die maken dat, vanwege de kortere looptijd, een ander rentepercentage toelaatbaar moet worden geacht. Opmerking verdient dat een dergelijke differentiatie niet is opgenomen in de relevante wetgeving binnen het Koninkrijk: artikel 5:15 Wet Pro financiële markten BES en artikel 7:20 Besluit Pro financiële markten BES, onderscheidenlijk artikel 7:76 Burgerlijk Pro Wetboek van Nederland en artikel 4 van Pro het Nederlandse Besluit kredietvergoeding. Waar het onder 2.2 bedoelde oordeel is gebaseerd op artikel 3:40 lid 1 BW Pro, en niet rechtstreeks op het beleid en regelgeving van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, doet aan dat oordeel niet af dat het beleid en de regelgeving ten tijde van het aangaan van de overeenkomst nog niet golden.
2.4
De toegelaten vergoeding (APR) voor zes maanden bedraagt dan 13,5%. [Geïntimeerde] heeft inmiddels al meer betaald, te weten ruim 40% van de geleende hoofdsom. De vordering van RHM is daarom terecht afgewezen.
2.5
De grieven falen en het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. RHM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot op nihil.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt RHM in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en is, bij afwezigheid van de voorzitter door mr. Meijer ondertekend, ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.