Uitspraak
HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak stond de vraag centraal of appellante door verjaring eigenaar was geworden van een perceel grond gelegen te Antriol op Bonaire. Appellante stelde dat haar familie het perceel langdurig in gebruik had genomen en daardoor eigendom had verkregen. Het Hof oordeelde dat de stellingen van appellante onvoldoende waren om eigendom door verjaring aan te nemen, mede omdat een huurovereenkomst met het toenmalige Eilandgebied Bonaire bestond.
Het Hof overwoog dat het gebruik van de domeingrond door de familie van appellante niet had geleid tot bezit, maar tot houderschap voor de overheid. Verder stelde het Hof vast dat het perceel sinds 1816 overheidsgrond was en dat de eigendom daarvan via verschillende overheidsbesluiten uiteindelijk bij het Openbaar Lichaam Bonaire berustte.
De vordering van appellante werd afgewezen, terwijl de tegenvordering van Bonaire werd toegewezen met een verklaring voor recht dat Bonaire eigenaar is van het perceel. Het Hof bepaalde dat deze verklaring, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, kan worden ingeschreven in de openbare registers. De kosten van het hoger beroep werden voor het grootste deel aan appellante opgelegd, met enkele kosten voor rekening van Bonaire.
Uitkomst: De vordering van appellante op eigendom door verjaring wordt afgewezen en Bonaire wordt als eigenaar van het perceel erkend.