Uitspraak
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
1.[Appellant 1],
[Appellante 2],
[Appellant 3],
[Appellant 4],
[Appellant 5],
PROGRESSIVE LABOR PARTY OF SINT EUSTATIUS,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak in hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, procederen appellanten tegen de Staat der Nederlanden. Het hof verwijst naar eerdere tussenvonnissen en het vonnis van de bodemrechter van 22 oktober 2019, waarin de vorderingen van appellanten zijn afgewezen.
Het hof oordeelt dat het vonnis van de bodemrechter niet berust op een duidelijke misslag en dat de spoedeisendheid van het kort geding onvoldoende is om af te wijken van de bodemprocedure. Ook is er geen sprake van gewijzigde omstandigheden die een andere beslissing rechtvaardigen.
Daarom past het hof de afstemmingsregel toe en bevestigt het het bestreden kort gedingvonnis. Appellanten worden hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief gemachtigdenkosten en verschotten, met wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bevestigt het kort gedingvonnis en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.