Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2021:203

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
13 augustus 2021
Zaaknummer
CUR2019H00304
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 6:263 BWArt. 3:314 lid 2 BWArt. 3:105 lid 1 BWArt. 3:310 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis ontbinding koop woning en uitleg partijstatus echtgenoot

In deze civiele zaak stond de ontbinding van een koopovereenkomst van een woning centraal, waarbij de vraag speelde of de echtgenoot van de koper partij was bij de overeenkomst. Het Hof toetste de uitleg van het addendum bij de koopovereenkomst aan de Haviltexmaatstaf en concludeerde dat de echtgenoot niet zonder meer partij werd, maar slechts toestemming gaf als echtgenoot conform artikel 1:88 BW Pro.

Daarnaast werd een geschil behandeld over de overbouw van een steeg genaamd Steensteeg, waarbij het Hof oordeelde dat de overheid de steeg al meer dan twintig jaar geleden had geoccupeerd en dat de stichting en de rechthebbende zich op verjaring konden beroepen. Het Hof vond geen reden om opschorting van verplichtingen toe te staan vanwege de overbouw.

Het Hof verwierp de grieven van de appellant en bevestigde het bestreden vonnis. De appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Dit vonnis werd gewezen door drie leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en uitgesproken te Curaçao op 29 juni 2021.

Uitkomst: Het Hof bevestigt het vonnis dat de echtgenoot niet partij is bij de koopovereenkomst en wijst het beroep op opschorting af.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201802901 – CUR2019H00304
Uitspraak: 29 juni 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
de stichting particulier fonds
STICHTING PARTICULIER FONDS BAWOLAR,
gevestigd in Bonaire,
oorspronkelijk eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. M.D. van den Brink,
tegen

1.[Geïntimeerde 1],

2. [Geïntimeerde 2],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk gedaagden, thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters.
Partijen worden ook aangeduid als Bawolar, [Geïntimeerde 1] en [Geïntimeerde 2] (of gezamenlijk als [Geïntimeerde c.s.).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 4 mei 2021.
1.2.
De in dat tussenvonnis gelaste descente met comparitie is gehouden op 28 mei 2021. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben uitdrukkelijk ermee ingestemd dat meteen vonnis zou worden gewezen, zonder het nemen van aktes na descente.
1.3.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
De feiten, door het Gerecht vastgesteld, zijn weergegeven in het tussenvonnis van het Hof, onder 4.
2.2.
Grief 1 betreft de vraag of [Geïntimeerde 2] partij is bij de koopovereenkomst. Het gaat hier om de uitleg – met inachtneming van de Haviltexmaatstaf – van de volgende passage uit het addendum bij de overeenkomst (feiten onder 2.9): ‘Verkopers zijn: [[Geïntimeerde 1]] en [[Geïntimeerde 2]], ofwel alleen [[Geïntimeerde 1]] in welk geval haar echtgenoot […] hierbij verklaart alle als echtgenoot benodigde medewerking te verlenen.’
2.3.
Het Gerecht heeft de vraag ontkennend beantwoord. Het Gerecht overwoog:
Partijen twisten over de vraag of [Geïntimeerde 2] nu wel of niet door middel van het addendum partij is geworden bij de overeenkomst. Deze vraag moet worden beantwoord in het licht van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en van de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben kunnen geven. Bawolar heeft gesteld dat het addendum, waarin [Geïntimeerde 2] als partij bij de overeenkomst is genoemd, juist tot stand is gekomen omdat zij wilde dat [Geïntimeerde 2] de bij de overeenkomst behorende garantie voor belastingschulden van de stichting zou mee ondertekenen. Bawolar wilde dit ook, mede gelet op artikel 1:88 BW Pro, omdat de overeenkomst betrekking heeft op de echtelijke woning van [Geïntimeerde 1] en Van [Geïntimeerde 2]. Deze bedoeling komt tot uitdrukking in een mail van [Naam 1] aan een adviseur van [Geïntimeerde 1], waarin hij opmerkt dat “uitgangspunt” is dat “[Geïntimeerde CS]” de overeenkomst “alsnog bereid is na te komen” – aldus Bawolar. [Geïntimeerde c.s.] hebben dit betoog bestreden. Hun betoog komt erop neer dat de toevoeging van [Geïntimeerde 2] in het addendum is gedaan voor het geval het nodig zou blijken dat ook [Geïntimeerde 2] als partij bij de overeenkomst betrokken zou zijn. Dat is niet het geval, omdat alleen [Geïntimeerde 1] bestuurder is van de stichting.
4.7.
Naar het oordeel van het gerecht kan Bawolar haar beroep op artikel 6:263 BW Pro niet mede doen steunen op de kwestie van de hoedanigheid van [Geïntimeerde 2] als contractspartij. Dit licht het gerecht als volgt toe.
4.8.
De gestelde vrees voor een tekortkoming op dit punt aan de kant van [Geïntimeerde c.s.] houdt klaarblijkelijk verband met de stukken die, als uitvoering van de overeenkomst, ten behoeve van de ‘levering’ van de woning moesten worden opgesteld. Het betreft hier het bestuursbesluit tot benoeming en ontslag als bestuurder van de stichting van Bawolar respectievelijk [Geïntimeerde 1], de garantstelling voor latente belastingschulden van de stichting en de “levering van de economische eigendom” van de woning (de conceptstukken zijn overgelegd als productie 8 bij antwoord).
4.9.
Niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang Bawolar heeft bij medeondertekening door [Geïntimeerde 2] van het eerste en het derde stuk. Niet Van [Geïntimeerde 2] maar (alleen) [Geïntimeerde 1] is immers bestuurder van de stichting en dus economisch eigenaar van de woning. Medeondertekening door [Geïntimeerde 2] van die stukken kan daar niets aan toe- of afdoen. Voor zover sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1:88 onder Pro a BW, geldt dat de vereiste toestemming voor de transactie al voldoende volgt uit het addendum, zodat ook daarin geen belang bij medeondertekening is gelegen. Als op dit punt al sprake zou zijn van een verplichting tot medeondertekening door [Geïntimeerde 2], dan rechtvaardigt een mogelijke schending van deze verplichting gelet op het voorgaande niet een beroep op opschorting (artikel 6:263 lid 2 BW Pro).
4.10.
Ten aanzien van de garantstelling voor latente belastingschulden van de stichting geldt het volgende. Kennelijk meent Bawolar dat uit de gestelde hoedanigheid van [Geïntimeerde 2] als contractspartij mede de verplichting voor hem voortvloeit om zich garant te stellen voor schulden van de stichting, hoewel hij op zichzelf geen enkele juridische verhouding heeft met de stichting. De gevreesde tekortkoming aan de zijde van [Geintimeerde c.s.] bestaat dus uit de schending door [Geïntimeerde 2] van deze verplichting. Die verplichting, aangenomen dat die er is, staat echter niet in het vereiste nauwe verband met de verplichting van Bawolar om de koopprijs voor de woning betalen (artikel 6:263 lid 1 BW Pro), althans Bawolar heeft geen feiten gesteld die tot die conclusie kunnen leiden. Daarop stuit toepassing van de onzekerheidsexceptie af.
2.4.
Het Hof sluit zich hierbij aan. Het Hof voegt toe dat als men contracteert met ‘A en B of alleen A’, men door het voegwoord ‘of’ er niet op kan rekenen dat B zonder meer partij is. B is slechts partij voor zover dat nodig is of althans voor zover men daarop redelijkerwijze mag rekenen. In dit geval mocht Bawolar, op de gronden door het Gerecht aangedragen, daarop niet redelijkerwijze rekenen.
2.5.
Wel mocht Bawolar door het slot van de passage erop rekenen dat [Geïntimeerde 2] als echtgenoot zijn toestemming gaf voor de verkoop als bedoeld in artikel 1:88 aanhef Pro en onder a BW. Een ‘tweede woning’ wordt mede door deze bepaling bestreken.
2.6.
Grief 1 faalt derhalve.
2.7.
Grief 2 betreft de Steensteeg, waarover het tussenvonnis onder 5. Het Hof heeft tijdens de descente niet kunnen constateren dat onjuist is de conclusie van het Gerecht dat het Pentagon de aan de overheid toebehorende steeg heeft geoccupeerd. Het kan zijn dat in de muur van het Pentagon een oude muur die langs het pad liep is verwerkt, maar dat is dan, uitgaande van occupatie, de muur aan de buitenkant van het pad (de Pundazijde).
2.8.
Het is niet nodig dat via een deskundigenbericht of bewijsopdracht klaarheid wordt gebracht over het al dan niet geoccupeerd hebben door Pentagon van de steeg. De occupatie, indien daarvan wordt uitgegaan, heeft al meer dan twintig jaar geleden plaatsgevonden. Hetzelfde geldt voor de occupatie in de aangrenzende tuin, richting Penstraat. De stichting en de rechthebbende op de aangrenzende tuin kunnen zich dus jegens het Land op verjaring beroepen (artikel 3:314 lid 2 BW Pro in verbinding met artikel 3:105 lid 1 BW Pro); zie HR 24-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141,
Gemeente Heusden, rov. 3.3.2-3.4. [Geïntimeerde c.s.] hebben ook zelf hierop gewezen.
2.9.
Het Hof heeft geconstateerd, evenals het Gerecht, dat de woning waarom het hier gaat niet vlak bij de muur gelegen is. Zelfs als het Land door een onrechtmatige daadsvordering, zoals bedoeld in rov. 3.7.2-3.7.4 van het arrest
Gemeente Heusden, indien deze rechtsvordering niet verjaard is op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW Pro, de steeg zou willen herstellen en de Pentagonmuur naar binnen verplaatst zou worden, valt niet in te zien dat het daardoor mogelijk ondervonden nadeel opschorting van de verplichtingen van Bawolar rechtvaardigt, zoals het Gerecht oordeelde en waarbij het Hof zich thans aansluit.
2.10.
Grief 2 faalt derhalve eveneens. De overige grieven hangen samen met de grieven 1 en 2 en delen hun lot.
2.11.
De uitkomst is dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Bawolar dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

3.Beslissing

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt Bawolar, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde 1] gevallen en tot op heden begroot op NAf 22.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 344,13 aan verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.