Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2021:208

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
11 augustus 2021
Publicatiedatum
13 augustus 2021
Zaaknummer
SXM2020H00130
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8d LZVArt. 8c LOVArt. 1 LZVArt. 1 LOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffing premie ziekte- en ongevallenverzekering wegens dienstverband

Babitbay Beach Development Corporation N.V. is door het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen (USZV) naheffingsaanslagen opgelegd wegens te weinig afgedragen premie ziekte- en ongevallenverzekering over 2011. Na bezwaar en een looncontrole stelde USZV de aanslag nader vast. Babitbay betwistte in hoger beroep dat de betrokken personen in dienst waren van haar, stellende dat zij in dienst waren van uitzendbureaus of CSC.

Het Hof oordeelt dat op grond van de loonbetalingen en het ontbreken van arbeidsovereenkomsten met de uitzendbureaus aannemelijk is dat er een dienstverband bestaat. De betrokken personen verrichtten persoonlijk arbeid onder gezag van Babitbay in haar hotel op Sint Maarten. De stelling dat zij losse werknemers zijn of alleen onder gezag van CSC staan, wordt verworpen.

Het Hof bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De naheffing blijft in stand omdat de wettelijke criteria voor een dienstverband en premieheffing zijn vervuld.

Uitkomst: Het hoger beroep van Babitbay wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

SXM2020H00130
Datum uitspraak: 11 augustus 2021
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de naamloze vennootschap Babitbay Beach Development Corporation N.V., gevestigd in Sint Maarten (hierna: Babitbay),
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van
2 november 2020 in zaak nr. SXM201900513, in het geding tussen:
appellante
en
het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekosten Verzekeringen (hierna: USZV)

Procesverloop

Bij beschikking van 21 december 2016 heeft USZV aan Babitbay een naheffingsaanslag premie ziekteverzekering en ongevallenverzekering voor het jaar 2011 opgelegd.
Bij beschikking op bezwaar van 24 april 2019 heeft USZV de naheffingsaanslag nader vastgesteld.
Bij uitspraak van 2 november 2020 (hierna: de aangevallen uitspraak) heeft het Gerecht het daartegen door Babitbay ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen de aangevallen uitspraak heeft Babitbay hoger beroep ingesteld.
USZV heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld in Curaçao op 2 juni 2021. Babitbay, vertegenwoordigd door mr. E.A. Jansen, en USZV, vertegenwoordigd door mr. M.M. Hofman-Ruigrok en [werknemer van USZV], zijn verschenen. Zij hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding met Sint Maarten.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek heropend om Babitbay in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het verweerschrift van USZV. Dat heeft Babitbay op 25 juni 2021 gedaan. USZV heeft op 5 juli 2021 gereageerd. Met toestemming van partijen is een nieuwe zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8d van de Landsverordening ziekteverzekering (hierna: de LZV) en artikel 8c van de Landsverordening ongevallenverzekering (hierna: de LOV) is USZV bevoegd om te weinig afgedragen premie door middel van een aanslag na te heffen bij de werkgever.
2. USZV heeft over onder meer het jaar 2011 een looncontrole gedaan bij Babitbay ter bepaling van de loonsommen voor de heffing van premie. Naar aanleiding daarvan is bij de beschikking van 21 december 2016 een aanslag voor te weinig afgedragen premie opgelegd. Naar aanleiding van het daartegen door Babitbay gemaakte bezwaar hebben besprekingen plaatsgevonden tussen Babitbay en USZV. Daarbij heeft Babitbay verschillende stukken overgelegd, waaronder haar jaarrekening, de grootboekrekeningen en de salarisadministratie. Daarna heeft USZV op 16 april 2019 een (nieuw) looncontrolerapport vastgesteld. Op basis daarvan is bij de beschikking op bezwaar van 24 april 2019 de naheffingsaanslag nader vastgesteld.
3. In hoger beroep is tussen partijen (nog) in geschil of de personen die namens M&M International N.V. (hierna: M&M), Indomitable Staffing Solutions (hierna: I.S.S.) en Contemporary Services Corporation (hierna: CSC) voor Babitbay werkzaamheden hebben verricht, door USZV terecht als werknemer in de zin van de LZV en de LOV zijn aangemerkt op de grond dat tussen die personen en Babitbay een dienstverband bestaat. Volgens Babitbay is daar geen sprake van, omdat die personen in dienst zijn bij de uitzendbureaus M&M en I.S.S., dan wel bij CSC.
3.1
Artikel 1 van Pro de LZV, voor zover hier van belang, definieert een werknemer als een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht, behalve:
- voor wat degene betreft die persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht: indien hij zelf door USZV als werkgever is aangemerkt;
- losse werknemers, waaronder wordt verstaan werknemers die als regel geen twaalf achtereenvolgende dagen, niet meegerekend zondagen en feestdagen als bedoeld in de Arbeidsregeling, in dienst van de werkgever zijn.
Artikel 1 van Pro de LOV, voor zover hier van belang, definieert een werknemer als een ieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht, behalve:
- voor wat degene betreft die persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht: indien hij zelf door USZV als werkgever is aangemerkt.
3.2
In zijn uitspraak van 18 november 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:255) heeft het Hof overwogen dat voor het aannemen van een dienstverband in de zin van de LZV of de LOV vereist is dat de desbetreffende opdrachtnemer verplicht is de arbeid persoonlijk te verrichten, de opdrachtgever verplicht is loon te betalen en tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer, wat betreft de te verrichten arbeid, een gezagsverhouding bestaat.
3.3
Blijkens paragraaf 5.5 van het looncontrolerapport van 16 april 2019 en de bijbehorende bijlagen, waaronder de grootboekrekeningen in bijlage 5 en 6, heeft Babitbay de betalingen aan de betrokken personen in haar financiële administratie opgevoerd als loonbetalingen. USZV mocht er daarom van uitgaan dat dit juist is en dat er tussen die personen en Babitbay een dienstverband bestaat. Het is vervolgens aan Babitbay om daarover, in geval van betwisting, voldoende twijfel te zaaien. Naar het oordeel van het Hof is Babitbay daar niet in geslaagd.
Wat M&M en I.S.S. betreft is van belang dat USZV in aanmerking heeft genomen dat M&M en I.S.S. geregistreerd zijn als uitzendbureau en dat USZV heeft vastgesteld dat de desbetreffende personen niet in dienst zijn van die uitzendbureaus. Babitbay heeft daar niets concreets tegenover gesteld, bijvoorbeeld door arbeidsovereenkomsten van die personen met de uitzendbureaus over te leggen. Dat gegeven is, samen met de lonen die door Babitbay aan die personen zijn betaald, toereikend om aan te nemen dat er sprake is van een dienstverband. Dat geldt ook voor de personen die namens CSC werkzaamheden hebben verricht. Ook van hen heeft Babitbay geen arbeidsovereenkomsten, met in dit geval CSC, overgelegd. De stelling van Babitbay dat die personen uitsluitend in een gezagsverhouding tot CSC staan, gaat niet op omdat het erom gaat of er "wat betreft de te verrichten arbeid" een gezagsverhouding bestaat. Nu de betrokken personen in het hotel van Babitbay in Sint Maarten werkzaamheden hebben verricht, is er wat die arbeid betreft sprake van een gezagsverhouding tussen die personen en Babitbay.
3.4
Voor zover Babitbay heeft willen betogen dat de personen die namens CSC werkzaamheden hebben verricht als "losse werknemers" in de zin van artikel 1 van Pro de LZV moeten worden beschouwd omdat zij - zoals in het looncontrolerapport van 16 april 2019 is vermeld - nooit aaneengesloten perioden hebben gewerkt, kan dat haar niet baten. Voor die personen is alleen premie op grond van de LOV nageheven. Anders dan de LZV kent de LOV geen uitzondering voor losse werknemers.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en
mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Saleh
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.