Uitspraak
Procesverloop
Overwegingen
Voorts betoogt zij dat het Gerecht niet heeft onderkend dat, nu de minister haar bezwaarschrift op 19 april 2018 heeft ontvangen en door het Gerecht op 14 september 2020 uitspraak is gedaan, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met ongeveer drie maanden is overschreden. Door te overwegen dat de in artikel 52, tweede lid, van de Lar neergelegde rechterlijke bevoegdheid naar zijn aard slechts op die gevallen ziet waarin het beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking heeft geleid, heeft het Gerecht miskend dat de toekenning van schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn niet afhankelijk kan worden gesteld van de uitkomst van de procedure.
Vaststaat dat de minister bij de beschikking van 12 april 2018, op 4 mei 2018 uitgereikt, aan [appellante] een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toestemming om te werken heeft verleend. Daarmee is de minister naar het oordeel van het Hof (alsnog) volledig tegemoetgekomen aan het verzoek van [appellante] van 4 mei 2017 [appellante] had dan ook geen belang (meer) bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de beschikking van 26 maart 2018. Dat, zoals [appellante] betoogt, sprake is van een zogeheten verblijfsgat, wordt door het Hof niet gevolgd. Vaststaat dat de minister bij beschikking van 20 oktober 2016 aan [appellante] een vergunning tot tijdelijk verblijf (met toestemming om te werken) heeft verleend voor de periode van 13 november 2016 tot 13 november 2017. Op 4 mei 2017, en dus vóórdat die vergunning is verlopen, heeft [appellante] (opnieuw) verzocht om een zodanige vergunning tot tijdelijk verblijf. Gelet hierop volgt het Hof de minister in zijn stelling dat de vergunning, verleend bij de beschikking van 12 april 2018 in reactie op het verzoek van 4 mei 2017, geacht moet worden te zijn ingegaan op 13 november 2017, zodat van een verblijfsgat geen sprake is. Met deze verblijfsvergunning is volledig aan de aanvraag tegemoet gekomen. De minister heeft derhalve terecht geoordeeld dat er voor [appellante] geen belang meer was bij een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift. Wat betreft de omstandigheid dat de minister het bezwaarschrift van [appellante] niet heeft voorgelegd aan een bezwaaradviescommissie, oordeelt het Hof dat dit niet kan leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat dit gebrek niet wegneemt dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard.