ECLI:NL:OGHACMB:2021:244

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
25 augustus 2021
Zaaknummer
UR2018H00033
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis natrekking pand in familiezaken na overlijden appellant

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie behandelde een hoger beroep in een geschil over natrekking van een pand tussen familieleden. De appellant was overleden tijdens de procedure, maar de zaak werd voortgezet op haar naam. Het hof oordeelde dat er geen juridische bindende afspraak was die leidde tot een aanspraak op overdracht van het perceel aan de moeder van de appellant.

De beoordeling richtte zich onder meer op de vraag of de appellant met haar beperkte pensioen in financiële problemen zou komen door leningen voor het onderhoud van het pand dat door de geïntimeerde was verkregen. Nu de appellant was overleden, was deze situatie niet langer relevant en werd geen voorziening getroffen ten behoeve van de nalatenschap.

Het hof bevestigde het bestreden vonnis en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Er werd geen aanleiding gezien om het verzoek tot toepassing van artikel 40 lid 2 Rv Pro toe te wijzen. Het hof benadrukte het belang van het vermijden van verdere escalatie van de familieruzie.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en compenseert de proceskosten, waarbij de geïntimeerde het nagetrokken huis behoudt zonder vergoeding.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: AR 81306/2016 – CUR201601640 – CUR2018H00033
Uitspraak: 27 juli 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
bij leven wonende in Curaçao,
oorspronkelijk eiseres,
in hoger beroep appellante,
gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall (voorheen mr. J.S. Francisca),
tegen
[GEINTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde,
in hoger beroep geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. S.J.C. Anthonio en S.A. Hortencia.
De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 28 april 2020. Bij dat vonnis is de zaak verwezen naar de rol voor akte zijdens [appellant].
1.2
Nadat [appellant] op 7 juli 2020 die akte, met producties, had ingediend heeft [geïntimeerde] op 29 september 2020 een antwoordakte, met een verzoek tot toepassing van artikel 40 Rv Pro genomen.
1.3 [
appellant] heeft vervolgens op 12 januari 2021 bij akte, met producties, op dat verzoek gereageerd.
1.4
Op 15 januari 2021 is [appellant] overleden. De zaak is verwezen naar de rol voor akte overlegging en uitlating verklaring van erfrecht zijdens [appellant]. Die akte is op 6 april 2021 genomen en de procedure is op naam van [appellant] voorgezet.
1.5
Bij akte van 4 mei 2021 heeft [geïntimeerde] gereageerd op de producties bij de akte van 12 januari 2021.
1.6
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.De nadere beoordeling

2.1
Het Hof ziet in de nader gewisselde stukken geen aanleiding om zijn eerdere overwegingen en beslissingen te herzien. Er zal ook geen gelegenheid worden geboden om nog nader bewijs te leveren van de door [appellant] gestelde toezegging van [geïntimeerde] om het perceel aan haar moeder over te dragen. Op basis van de stukken (de stellingen en de overgelegde verklaringen, brieven en volmacht) kan niet worden gezegd dat het is gekomen tot een juridisch bindende afspraak, leidende tot een aanspraak op nakoming die tot de nalatenschap van [appellant] behoort. Het bewijs is ook niet voldoende om verandering te kunnen brengen in de beoordeling op basis van redelijkheid en billijkheid in (laatstelijk) rov. 2.3 tot en met 2.6 van het meest recente tussenvonnis.
2.2
De beoordeling waarover het gaat in rov. 2.6 van het laatste tussenvonnis en de in verband daarmee (in rov. 2.7) toegestane akte waren gericht op (het voorkomen van) de situatie dat [appellant] met haar beperkte pensioen in de knel zou komen als gevolg van leningen die zij was aangegaan voor de bouw en het onderhoud van het door [geïntimeerde] gratis, door natrekking verworven huis. Nu [appellant] is overleden kan zo’n situatie zich niet (langer) voordoen en is een degelijke beoordeling niet meer aan de orde. Er is geen grond om op basis van de redelijkheid en billijkheid een voorziening te treffen ten behoeve van de nalatenschap van [appellant]. Het bewijs – dat op [appellant] (niet verwijtbaar) nog lasten drukten die verband hielden met de bouw en het onderhoud van juist dit ene huis – is daarvoor ook niet sterk genoeg.
2.3
Het bestreden vonnis zal worden bevestigd, onder compensatie van de kosten in hoger beroep (zie ook rov. 2.7 van het laatste tussenvonnis). Het gaat om een geschil tussen naaste familieleden. Het aantal proceshandelingen en het gegeven dat [appellant] kosteloos procedeerde zijn geen redenen om een kostenveroordeling uit te spreken. Het valt, gelet op de uitkomst van dit geding ([geïntimeerde] behoudt het nagetrokken huis zonder betaling van enige vergoeding) ook geenszins in te zien waarom haar proceskosten (deels) uit de openbare middelen zouden moeten worden betaald, zoals door [geïntimeerde] wordt gesuggereerd. Dat van een op voorhand kansloze vordering geen sprake was, moge reeds blijken uit het verloop van dit geding.
2.4
Het Hof ziet ten slotte ook geen enkele reden om aan het verzoek ex artikel 40 lid 2 Rv Pro te voldoen. Partijen wordt met klem aangeraden om hun toch al treurige familieruzie niet verder te laten ontaarden/escaleren met dergelijke juridische uitwassen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten tussen partij aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, M.W. Scholte en J. de Boer, leden van
het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.