De zaak betreft een hoger beroep van een haarsalon tegen de nietigverklaring van het ontslag op staande voet van een verkoopster tijdens de COVID-19-pandemie. De verkoopster werd ontslagen wegens vermeende werkweigering omdat zij niet op het werk verscheen om buitendiensten te verrichten waarvoor een auto nodig was.
De haarsalon stelde dat de verkoopster halsstarrig weigerde te werken en dat passende maatregelen waren getroffen, waaronder het aanbieden van een auto of autovergoeding. De verkoopster betwistte dit en stelde dat zij niet beschikte over een auto en dat het ontslag onterecht was.
Het Hof oordeelde dat het ontslag op staande voet nietig is omdat de dringende reden, werkweigering, onvoldoende was onderbouwd. De verkoopster was op de dag van het vermeende werkweigering wel op het werk verschenen en er was geen bewijs dat zij daarna weigerde te werken. Tevens was onduidelijk of de haarsalon daadwerkelijk passende maatregelen had getroffen.
Verder matigde het Hof het loonverzoek van de verkoopster tot 31 december 2020, omdat zij vanaf januari 2021 ander werk had gevonden. Het beroep op een doorbrekingsgrond voor het appelverbod werd verworpen. De overige onderdelen van de beschikking werden bevestigd en de proceskosten werden gecompenseerd.