In deze zaak was appellante in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van huurachterstand, schoonmaakkosten, schadevergoeding en huurderving aan Maynard Holding N.V. Appellante kwam in hoger beroep tegen dit vonnis. Het Hof oordeelde dat de beroepstermijn van zes weken was verstreken, omdat het vonnis op 11 juni 2019 werd uitgesproken en de beroepstermijn eindigde op 24 juli 2019. Appellante stelde het vonnis op 20 juni 2019 te hebben ontvangen, maar dit was niet relevant omdat de termijn werd berekend vanaf de dagtekening van de aangetekende brief van 12 juni 2019.
Het Hof concludeerde dat appellante niet-ontvankelijk was in haar hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Wel werd appellante toegelaten tot kosteloos procederen, ondanks het ontbreken van een expliciet verzoek daartoe in het petitum. Daarnaast werd appellante veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op NAf 3.249,50.
De feiten betreffen onder meer het overlijden van de echtgenoot van appellante, huurachterstanden en het verwijderen van onderdelen van de gehuurde woning zonder toestemming, wat leidde tot schadeclaims. Het Hof baseerde zijn oordeel op de toepasselijke artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de processtukken.