In deze zaak vordert [geïntimeerde] betaling van achterstallig loon, vakantiedagen, cessantia-uitkering en opzegvergoeding van Diconsa Construction N.V. De arbeidsovereenkomst was mondeling en liep sinds 2005. Na vertrek van [geïntimeerde] in december 2017 en terugkeer in april 2018 heeft hij geen werkzaamheden meer verricht, maar stelde dat hij beschikbaar was en dat Diconsa hem niet heeft toegelaten tot werk.
Het Gerecht in eerste aanleg wees de loonvorderingen en vakantiedagen toe, maar wees cessantia en opzegvergoeding af omdat [geïntimeerde] zelf ontslag had genomen. In hoger beroep betwist Diconsa de toewijzing van loon en vakantiedagen, terwijl [geïntimeerde] ook cessantia en opzegvergoeding nastreeft.
Het Hof bevestigt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd door Diconsa en dat het niet-werken in 2018 voor rekening van Diconsa komt, mits bewezen dat [geïntimeerde] bereid was te werken. Het Hof laat Diconsa toe tot het leveren van tegenbewijs en houdt verdere beslissing aan tot na bewijslevering. Partijen wordt aangeraden hun geschil onderling te regelen gezien de onzekerheid en kosten van verdere procedure.