Uitspraak
1.Het verdere verloop van de procedure
2.De verdere beoordeling
.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De zaak betreft een hoger beroep van AVR tegen een afwijzing van haar vorderingen tot betaling, rekening en verantwoording en schadevergoeding wegens betalingen in de administratie van ADC en AOC die vragen oproepen. AVR vordert betaling van aanzienlijke bedragen en een bevel tot verantwoording van de ex-werkneemster die voor beide vennootschappen werkzaam was.
De ex-werkneemster heeft zich op verjaring beroepen en aangevoerd dat de brief van 4 juli 2014 geen rechtsgeldige stuiting inhield. Het Hof verwerpt dit verweer en stelt dat de brief een voldoende duidelijke waarschuwing bevatte. AVR baseert haar vorderingen op rapporten die betalingen zonder duidelijke grondslag aantonen, maar de ex-werkneemster betwist aansprakelijkheid omdat de administratie bij haar vertrek in orde was.
Het primaire standpunt van AVR dat aansprakelijkheid volgt uit het feit dat de administratie vragen oproept wordt verworpen op grond van vaste rechtspraak en art. 7:661 lid 1 BW Pro, die opzet of bewuste roekeloosheid vereist. Het subsidiaire standpunt dat de ex-werkneemster gelden doelbewust heeft onttrokken wordt niet bewezen geacht, maar AVR krijgt de gelegenheid dit te bewijzen. Het beroep op klachtplicht wordt eveneens verworpen omdat het niet van toepassing is op de rechtsverhouding en AVR tijdig heeft geklaagd.
Het Hof bepaalt dat AVR moet aantonen dat de gelden doelbewust zijn onttrokken zonder deugdelijke grondslag en stelt een nader bewijsproces in. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: AVR moet bewijzen dat de ex-werkneemster doelbewust gelden heeft onttrokken zonder deugdelijke grondslag; verdere beslissing wordt aangehouden.