Uitspraak
1.Procesverloop
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van het Gerecht
Wettelijke regeling
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Belanghebbende, woonachtig in Aruba, bezit een eigen woning aldaar en een tweede woning in Den Haag met een WOZ-waarde van EUR 380.000. De tweede woning wordt niet verhuurd en staat ter beschikking van belanghebbende. De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting op waarin de tweede woning werd betrokken als belastbare opbrengst.
Het Gerecht in eerste aanleg stelde belanghebbende in het gelijk en vernietigde de aanslagen voor zover deze betrekking hadden op de tweede woning. De Inspecteur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het Hof nam de feiten en het juridisch toetsingskader van het Gerecht over en oordeelde dat de wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis geen grond bieden voor heffing van inkomstenbelasting over het eigen gebruik van de tweede woning.
Het Hof benadrukte dat het eigen gebruik van onroerende zaken geen belastbare opbrengst vormt en dat belastingheffing dient te geschieden uit kracht van een wet die rechtszekerheid biedt. De Inspecteur kon zijn standpunt niet onderbouwen met relevante wetsgeschiedenis of jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.