In deze zaak verzocht [verzoeker] om herziening van het arrest van 30 november 2022 waarin het Hof het hoger beroep tegen de afwijzing van de teruggave van zijn vuurwapen bevestigde. De korpschef had het verzoek van [verzoeker] om teruggave van het vuurwapen geweigerd vanwege verdenking van bedreiging met dat wapen op 18 juni 2020.
[Verzoeker] stelde dat uit een brief van 22 oktober 2022 bleek dat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem had geseponeerd, wat een nieuw feit zou zijn dat tot herziening zou moeten leiden. Het Hof oordeelde echter dat dit feit weliswaar vóór de uitspraak had plaatsgevonden, maar dat [verzoeker] hiervan al op de hoogte was vóór de uitspraak, zodat het geen nova betrof.
Het Hof overwoog verder dat zelfs als deze brief vóór de uitspraak was overgelegd, dit niet tot een andere uitkomst had geleid omdat niet bleek dat het OM ten tijde van de beschikking van de korpschef al had besloten tot sepot. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen. Tevens werd overwogen dat de korpschef bij een nieuw verzoek om teruggave het vuurwapen niet meer zou mogen weigeren op grond van de inmiddels bekende sepotbeslissing.