Belanghebbende, een maatschappij onder het voormalige offshore-regime, deed geen aangifte winstbelasting voor 2006 en 2007. De Inspecteur legde op 22 oktober 2018 aanslagen op, die belanghebbende betwistte wegens overschrijding van de termijn.
Het Gerecht vernietigde de aanslagen en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe. De Inspecteur stelde hoger beroep in, maar het Hof oordeelde dat de aanslagen inderdaad te laat waren opgelegd, gelet op de toepasselijke oude winstbelastingregeling en het rechtszekerheidsbeginsel.
De Inspecteur mocht geen aanslagen meer opleggen na het verstrijken van de navorderingsperiode van vijf jaar. Het Hof verwierp het beroep van de Inspecteur en bevestigde de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Inspecteur werd tevens veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Het Hof zag geen aanleiding tot prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en verklaarde het hoger beroep ongegrond.