Deze zaak betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen na hun echtscheiding. Centraal staat de vraag of en hoe rekening moet worden gehouden met een hypotheeklening op de woning die partijen samen hebben gebouwd. Het Hof stelt vast dat de hypotheekschuld een gemeenschappelijke schuld is en dat deze moet worden meegenomen in de verdeling van het saldo van de gemeenschap.
Het Hof vernietigt het eerdere vonnis van het Gerecht dat de hypotheekschuld niet van de woningwaarde aftrok en corrigeert dit door de hypotheekschuld van USD 82.983,87 mee te nemen. Daarnaast corrigeert het Hof de valutering van andere schulden die in Antilliaanse guldens waren, maar zonder wisselkoers in Amerikaanse dollars waren opgenomen. De waarde van de woning wordt vastgesteld op USD 224.000 op basis van een taxatierapport uit 2022.
De vordering van geïntimeerde tot gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat het redelijk is deze weg te strepen tegen de hypotheeklasten die geïntimeerde draagt. Ook de vordering tot een hogere huurvergoeding faalt wegens onvoldoende bewijs. De schuld aan een derde wordt niet erkend als gemeenschapsschuld wegens onvoldoende onderbouwing.
Het Hof bepaalt dat appellant aan geïntimeerde USD 51.088,83 moet betalen, bestaande uit de helft van het saldo van de gemeenschap en de helft van de geïnde huur. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen getrouwd zijn geweest.