ECLI:NL:OGHACMB:2025:216
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- G.C.C. Lewin
- W.P.M. ter Berg
- E.P. van Unen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis tot betaling restantschuld en proceskosten in hoger beroep
In deze zaak vordert geïntimeerde betaling van het restant van schulden door appellanten, die beiden ondernemingen exploiteren in kredietbemiddeling. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen en het hof bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
Appellanten betoogden dat de vorderingen verjaard zijn, omdat geen ingebrekestelling is ontvangen en zij niet in verzuim zijn geraakt. Het hof oordeelt echter dat de verjaring is gestuit door de door appellanten gedane betalingen tussen 2017 en 2020, waarmee zij erkenning van de schuld hebben gegeven. Hierdoor lopen nieuwe verjaringstermijnen die nog niet zijn verstreken.
Verder stelde appellanten dat zij ten onrechte zijn vereenzelvigd, maar het hof stelt vast dat de vorderingen afzonderlijk zijn toegewezen en dat de proceskostenveroordeling niet op vereenzelviging duidt. Het hoger beroep wordt verworpen en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, met wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en veroordeelt appellanten tot betaling van restantschulden en proceskosten met wettelijke rente.