ECLI:NL:OGHACMB:2025:271

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
CUR2025H00033
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake optieverklaring voor verkrijging van het Nederlanderschap en de rechtmatigheid van verblijf in Curaçao

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een appellante die sinds 2002 in Curaçao woont en een verblijfsvergunning heeft. De Gouverneur van Curaçao weigerde haar verklaring voor het verkrijgen van het Nederlanderschap te bevestigen, omdat hij van mening was dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning. De appellante betwistte dit en stelde dat zij gedurende de vereiste periode van vijftien jaren aan de voorwaarden had voldaan. Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde haar beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde het Gemeenschappelijk Hof van Justitie dat de Gouverneur ten onrechte had geconcludeerd dat er een verblijfsgat was. Het Hof oordeelde dat de Gouverneur bevoegd was om onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke status, maar dat hij niet had mogen oordelen dat appellante niet voldeed aan de vergunningsvoorwaarden. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en de beschikking van de Gouverneur, en bepaalde dat de Gouverneur binnen drie maanden de optieverklaring van appellante moet bevestigen, tenzij er andere weigeringsgronden zijn. De uitspraak werd gedaan op 12 november 2025.

Uitspraak

CUR2025H00033
Datum uitspraak: 12 november 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 15 januari 2025 in zaak nr. CUR202402407, in het geding tussen:
appellante
en
de Gouverneur van Curaçao (hierna: de Gouverneur)
Procesverloop
Bij beschikking van 22 mei 2024 heeft de Gouverneur geweigerd de verklaring van appellante ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) te bevestigen.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
De Gouverneur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2025. Appellante was aanwezig, bijgestaan door [naam], gemachtigde. De Gouverneur werd vertegenwoordigd door mr. P.T. Benschop, directeur van het Kabinet van de Gouverneur, en drs. R.V. van der Zeeuw, hoofd consulaire zaken van het Kabinet van de Gouverneur.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellante is sinds 15 juli 2002 ingeschreven in Curaçao en beschikt vanaf 11 juli 2002 over een verblijfsvergunning. De minister van Justitie (hierna: de minister) heeft op 19 april 2011 aan haar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend, onder de voorwaarde dat zij arbeid in loondienst verricht als dienstbode bij “de heer [X] e.a.”.
Op 1 juli 2013 is X naar Nederland verhuisd en in augustus 2013 is de woning waarin appellante werkzaam was overgedragen aan [naam nieuwe eigenaar 1] en [naam nieuwe eigenaar 2]. Appellante is werkzaam gebleven als huishoudelijke hulp voor de nieuwe eigenaren. Daarnaast was zij werkzaam als hulp in de huishouding bij de heer [Y].
Op 8 december 2023 heeft appellante de Gouverneur gevraagd om bevestiging van haar verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN.
Op 7 mei 2014 heeft de minister aan haar een nieuwe verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend, onder de voorwaarde dat zij arbeid in loondienst verricht als dienstbode bij “de heer X”. De minister heeft later toegelicht dat de vermelding ”e.a.” per abuis niet in deze beschikking is opgenomen. Op 1 september 2015 heeft de minister aan appellante een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend.
De uitspraak van het Gerecht
2. Het Gerecht heeft overwogen dat de Gouverneur op zorgvuldige wijze tot zijn beslissing is gekomen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN, dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao. Volgens het Gerecht mocht de Gouverneur zelfstandig onderzoek doen naar de rechtmatigheid van het verblijf van appellante bij de beoordeling van de optieverklaring en komt hem beoordelingsruimte toe bij de toepassing van artikel 6 van de RWN. Daarbij heeft het Gerecht verwezen naar zijn eerdere uitspraak van 2 mei 2024, ECLI:NL:OGEAC:2024:196. De Gouverneur mocht daarom beoordelen of appellante steeds voldeed aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning.
2.1. Appellante heeft volgens het Gerecht tevergeefs betoogd dat zij voldeed aan de vergunningsvoorwaarden. Zij werkte sinds het vertrek van X in juli 2013 niet meer voor hem en dat leidt tot een verblijfsgat in de periode vanaf zijn vertrek tot de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op 1 september 2015. Het Gerecht is appellante niet gevolgd in haar betoog dat de Gouverneur de onderliggende dossiers van de eerdere verblijfsvergunningen had moeten opvragen. Volgens appellante zou de Gouverneur dan de garantieverklaring van Y hebben gezien, voor wie zij ook werkte en wiens naam ook vermeld had moeten worden in de vergunningen. Volgens het Gerecht was de Gouverneur daar echter niet toe gehouden, omdat hij de juistheid van de vergunningsvoorwaarden niet zelf hoeft te beoordelen. Het verlenen van de vergunning en het vaststellen van de voorwaarden valt onder de bevoegdheid van de minister en bovendien staan deze beschikkingen inmiddels in rechte vast. Verder heeft het Gerecht hierbij van belang geacht dat in de vergunning van 7 mei 2014 niet de toevoeging ”e.a.” is opgenomen. Ook als Y een garantieverklaring zou hebben afgegeven, kan dat volgens het Gerecht daarom niet tot een andere uitkomst leiden.
Het hoger beroep
3. Appellante betoogt in hoger beroep dat het Gerecht niet heeft onderkend dat zij in de periode van 2007 tot en met 2013 twee garantstellers had. Dit blijkt volgens haar ook uit de verblijfsvergunning van 19 april 2011, waarin de heer X “e.a.” is vermeld. Zij werkte destijds ook bij Y en dat maakt volgens haar dat zij aan de vergunningsvoorwaarden is blijven voldoen. Ter onderbouwing heeft zij de werkgeversverklaringen overgelegd die zijn bijgevoegd bij de aanvraag om een verblijfsvergunning van 11 december 2013. Ook heeft zij een reactie van de minister van 17 september 2025 overgelegd, op een verzoek in het kader van de Landsverordening openbaarheid van bestuur, waarin de minister schrijft dat de toevoeging ”e.a.” per abuis niet in de verblijfsvergunning van 7 mei 2014 is opgenomen. Het Gerecht is daarom volgens haar ten onrechte de Gouverneur gevolgd in het standpunt dat sprake is van een verblijfsgat in de periode vanaf het vertrek van X op 1 juli 2013 tot de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op 1 september 2015.
3.1. Appellante betoogt verder dat de Gouverneur had moeten overleggen met de minister, omdat de minister niettemin een vergunning voor onbepaalde tijd heeft verleend. Dat zou de minister niet hebben gedaan als zij zich niet aan de voorwaarden van de vergunning van 7 mei 2014 zou hebben gehouden. De Gouverneur heeft volgens appellante in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld, omdat zij er gezien deze vergunningverlening van uit mocht gaan dat ze aan de voorwaarden heeft voldaan en dus ook vijftien jaren onafgebroken toelating had.
Beoordeling
4. Hieronder wordt eerst het juridisch kader weergegeven. Daarna gaat het Hof in op de vraag of de Gouverneur bevoegd is om onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke status van een optant. Tot slot beoordeelt het Hof de feitelijke aspecten die de Gouverneur ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning en de juistheid van die conclusie.

Juridisch kader

5. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN bepaalt dat de vreemdeling die de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt en gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in (...) Curaçao, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap verkrijgt.
Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring rust.
In artikel 22, eerste lid, van het Besluit verlies en verkrijging Nederlanderschap (hierna: BvvN) is opgenomen dat de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant onderzoekt.
Artikel 6, vijfde lid, van het BvvN bepaalt dat de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.
Uit artikel 21, eerste lid, van het BvvN volgt verder dat de verstrekte gegevens getoetst worden aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen en uit het vijfde lid volgt dat de Gouverneur voor zover mogelijk de juistheid onderzoekt van de gegevens die niet op die manier kunnen worden getoetst.

De bevoegdheid van de Gouverneur

6. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de Gouverneur bevoegd is om zelfstandig onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke status bij het beoordelen van een optieverklaring. Dit volgt uit de hierboven weergegeven bepalingen, in het bijzonder uit artikel 22, eerste lid, van het BvvN. Daaronder valt de bevoegdheid om te onderzoeken of de optant ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN. Om te kunnen vaststellen of een optant aan die voorwaarde voldoet, is de Gouverneur bevoegd om onderzoek te doen naar het al dan niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan een verblijfsvergunning.
In het geval van appellante staat in de verblijfsvergunningen van 19 april 2011 en van 7 mei 2014 dat zij wordt geacht niet te zijn toegelaten als zij niet aan de vergunningsvoorwaarden voldoet. Een van die voorwaarden is dat zij arbeid in loondienst als dienstbode verricht bij de heer X e.a.. Gelet op wat hiervoor is overwogen was de Gouverneur bevoegd om te onderzoeken of appellante aan deze voorwaarde voldeed.
6.1.
Het Gerecht heeft ten onrechte overwogen dat de Gouverneur beoordelingsruimte heeft bij de toepassing van artikel 6 van de RWN. Uit het eerste en het derde lid van die bepaling volgt dat een vreemdeling het Nederlanderschap verkrijgt door een bevestiging van een afgelegde verklaring als hij of zij voldoet aan de criteria. In het geval van appellante bevestigt de Gouverneur de verklaring van het Nederlanderschap als zij minimaal 65 jaar oud is en ten minste vijftien jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Curaçao heeft gehad. De Gouverneur kan dat dan alleen nog weigeren als appellante niet bereid is om een verklaring van verbondenheid af te leggen als bedoeld in het tweede lid of als ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in het vierde lid. De bevoegdheid om een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN is aldus een gebonden bevoegdheid met duidelijke toepassingsvoorwaarden zonder beoordelingsruimte.
6.2.
De bevoegdheid van de Gouverneur moet worden onderscheiden van de bevoegdheden van de minister krachtens de Ltu. De minister is in dat kader bevoegd om te beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning, om voorwaarden te verbinden aan een verblijfsvergunning en om een verblijfsvergunning in te trekken.
De Gouverneur mag niet oordelen over de rechtmatigheid van de uitoefening van deze bevoegdheden door de minister. De Gouverneur moet daarom uitgaan van de juistheid van door de minister genomen beschikkingen krachtens de Ltu. Voor appellante betekent dit dat de Gouverneur moet uitgaan van de juistheid van de verblijfsvergunningen die de minister aan haar heeft verleend en van de daaraan verbonden voorwaarden, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen.

Feitelijke grondslag van de besluitvorming

7. Het Hof volgt appellante in haar betoog dat de Gouverneur ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunningen voldeed, met als gevolg dat er een verblijfsgat is in de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2015. Het Hof legt dit oordeel hieronder verder uit.
7.1.
De Gouverneur heeft op de zitting van het Hof toegelicht dat hij in het kader van een onderzoek naar de verblijfsrechtelijke status van appellante de gegevens van X heeft gecontroleerd en dat na het raadplegen van het bevolkingsregister bleek dat X per 1 juli 2013 is verhuisd naar Nederland en niet meer ingeschreven is op Curaçao. Daaraan heeft de Gouverneur de conclusie verbonden dat appellante niet meer werkzaam was voor de in de vergunningsvoorwaarden met naam genoemde werkgever en dus geacht moet worden niet te zijn toegelaten in de periode van 1 juli 2013 tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op 1 september 2015.
7.2.
Tijdens de procedure is duidelijk geworden dat appellante tijdens de looptijd van de haar op 19 april 2011 verleende vergunning in ieder geval twee werkgevers had, van wie één met naam is genoemd in de vergunningsvoorwaarden en één is aangeduid met ”e.a.”. Ook is gebleken dat appellante ten tijde van de aanvraag van de vergunning die op 7 mei 2014 is verleend, werkte bij Y. Dit volgt uit de overgelegde werkgeversverklaring van 12 oktober 2013, waarin Y verklaart dat appellante voor hem als hulp in de huishouding werkt en dat zij dat op dat moment al ongeveer achttien jaar deed. Deze werkgeversverklaring maakt deel uit van de aanvraag om een verblijfsvergunning die appellante indiende op 11 december 2013. Verder heeft appellante verklaard dat zij tot het overlijden van Y in 2022 voor hem is blijven werken. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Hieruit volgt dat appellante vanaf het vertrek van X op 1 juli 2013 dan wel vanaf de overdracht van zijn woning in augustus 2013 nog werkte voor de ‘ander’, te weten Y. Voorts is gebleken dat in de verblijfsvergunning van 7 mei 2014 in afwijking van de vergunning van 19 april 2011 in de voorwaarden alleen is vermeld dat appellante arbeid in loondienst verricht bij de heer X en dat daarachter de vermelding “e.a.” abusievelijk niet is opgenomen. Daarom gaat het Hof voor de beantwoording van de vraag of appellante zich heeft gehouden aan de vergunningsvoorwaarden en daarmee of er een verblijfsgat is ontstaan, uit van een vergunning met de vermelding “e.a.”.
7.3.
Het Hof oordeelt dat de vergunningsvoorwaarden zo moeten worden uitgelegd, dat appellante daaraan voldeed als kan worden vastgesteld dat zij arbeid in loondienst verrichtte als huishoudster voor een werkgever betrokken bij de aanvraag die heeft geleid tot de vergunning van 7 mei 2014. Omdat de vergunningen van 19 april 2011 en van 7 mei 2014 betrekking hadden op twee werkgevers, X en Y, is het enkele feit dat appellante vanaf medio 2013 niet meer voor X werkzaam was onvoldoende om te oordelen dat zij sindsdien niet meer voldeed aan de vergunningsvoorwaarden. Om die reden mag haar ook niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft doorgegeven dat zij niet langer voor X werkte. De Gouverneur heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante in de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2015 niet aan de vergunningsvoorwaarden voldeed. Het betoog van appellante dat zij wel gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN, slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. De beschikking van de Gouverneur van 22 mei 2024 wordt vernietigd. De Gouverneur moet binnen drie maanden de verklaring van appellante ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie bevestigen, als uit nader onderzoek geen andere weigeringsgronden blijken als beschreven in artikel 6, tweede en vierde lid, van de RWN. De Gouverneur hoeft geen proceskosten te vergoeden omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2025 in zaak nr. CUR202402407;
II.
verklaarthet beroep
gegrond;
III.
vernietigtde beschikking van de Gouverneur van Curaçao van 22 mei 2024, kenmerk OP-23/286/SCS;
IV.
bepaaltdat de Gouverneur binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak in een te nemen beschikking de optieverklaring van appellante bevestigt, tenzij uit nader onderzoek blijkt van andere weigeringsgronden;
V.
gelastdat het Land Curaçao aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 450,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.