ECLI:NL:OGHACMB:2025:273
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Arubaanse rechter inzake hoofdverblijfplaats minderjarige
Partijen, een moeder en vader met een zoon van bijna achttien maanden, zijn in geschil over de hoofdverblijfplaats van hun kind. De moeder woont sinds maart 2025 met het kind in Aruba en wil dat de hoofdverblijfplaats daar wordt vastgesteld, terwijl de vader in Nederland woont en de hoofdverblijfplaats daar wenst. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba verklaarde zich onbevoegd, omdat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is.
In hoger beroep bevestigt het Hof deze onbevoegdheid. Het Hof baseert zich op het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, dat sinds 1986 medegelding heeft in Aruba, en op de opvolger uit 1996. Volgens deze verdragen is de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd. Het Hof concludeert dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige vanaf zijn geboorte in Nederland is, mede gelet op de gezamenlijke aankoop van een woning in Amsterdam, inschrijving van het kind in Nederland, medische zorg en kinderopvang daar.
De moeder heeft het kind in strijd met de afspraken en zonder instemming van de vader in Aruba achtergehouden, wat volgens het verdrag een ongeoorloofde niet-terugkeer is. Hierdoor blijft de Nederlandse rechter bevoegd. Het Hof benadrukt dat de sociale en familiale worteling in Aruba pas sinds de beslissing van de moeder bestaat en dat dit geen invloed heeft op de bevoegdheidsvraag.
Het Hof adviseert partijen om in overleg tot afspraken te komen en bevestigt de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg dat de Arubaanse rechter onbevoegd is. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken vanwege de familierechtelijke relatie.
Uitkomst: De Arubaanse rechter is onbevoegd; de gewone verblijfplaats van de minderjarige is Nederland.