ECLI:NL:OGHACMB:2025:296

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
SXM2024H00106
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst en onrechtmatig ontslag op staande voet van property manager

In deze zaak stond de kwalificatie van de overeenkomst tussen appellant en Town House centraal, waarbij het Hof bevestigde dat het een arbeidsovereenkomst betreft. Na een eerdere tussenbeschikking gaf het Hof een eindbeschikking waarin het ontslag op staande voet van appellant door Town House werd beoordeeld.

Town House had appellant op 28 juli 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende misleiding over zijn werk- en verblijfsstatus en het niet aanleveren van gevraagde documenten. Het Hof oordeelde dat deze ontslaggronden niet standhouden, mede omdat Town House onvoldoende heeft aangetoond dat appellant bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en omdat de verzoeken om documenten niet als redelijke instructies van een werkgever aan een werknemer konden worden beschouwd.

Het beroep van Town House op dwaling werd eveneens verworpen vanwege te late indiening en inhoudelijke gronden. Het Hof wees de gewijzigde en vermeerderde verzoeken van appellant toe, waaronder de betaling van nettoloon, een vergoeding van USD 2.500 wegens onverschuldigde betaling en de verplichting tot wedertewerkstelling en toegang tot Villa 10.

Tot slot veroordeelde het Hof Town House in de proceskosten en matigde het de wettelijke verhoging over het loon tot 15%. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; Town House moet loon doorbetalen en appellant wedertewerkstellen.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: SXM202400434 – SXM2024H00106
Uitspraak: 2 december 2025 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in Sint Maarten,
in eerste aanleg verzoeker,
thans appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep
gemachtigden: mrs. C.J. Koster en S.T. Leon,
tegen
de stichting
THE TOWN HOUSE DEVELOPMENT FOUNDATION,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg verweerster,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep
gemachtigde: mr. K. Huisman.
Partijen worden hierna [appellant] en Town House genoemd.

1.De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of een overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. In een tussenbeschikking heeft het Hof die vraag bevestigend beantwoord en de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten over de gevolgen daarvan en met elkaar te bezien of zij tot een minnelijke regeling kunnen komen.
Nu geeft het Hof een eindbeschikking.

2.Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 14 mei 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:107 (hierna: de tussenbeschikking) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen.
Op de rolzitting van 27 augustus 2025 heeft [appellant] een akte van eiswijziging en eisvermeerdering ingediend (gedateerd op 21 augustus 2025) en een akte uitlating na beschikking, met producties.
Op dezelfde rolzitting heeft Town House een akte uitlating tevens bezwaar tegen eiswijziging ingediend, met producties.
Beschikking is nader bepaald op vandaag.

3.De verdere beoordeling

Verdere ontwikkelingen
3.1
Na de tussenbeschikking van 14 mei 2025 is (in hoofdlijnen) het volgende gebeurd.
3.1.1
Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft mr. Koster aan mr. Huisman gevraagd of Town House bereid was in een bijeenkomst met [appellant] de mogelijkheid van een minnelijke regeling te bespreken.
3.1.2
Bij e-mail van 23 juni 2025 heeft mr. Huisman mr. Koster verzocht de volgende stukken aan te leveren:
a. kopie van verblijfs- en werkvergunning van [appellant];
b. bewijs van betaling van belasting en sociale premies door [appellant];
c. bewijs van door [appellant] genoten inkomsten uit een pizzeria en uit werkzaamheden voor villa-eigenaren;
d. bewijs van betaling van huur van een woning, met kopie van de huurovereenkomst.
Dit verzoek heeft zij later herhaald. Daarbij heeft zij bericht dat herhaalde weigering om gevolg te geven aan redelijke instructies van de werkgever een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.
3.1.3 [
[appellant] en zijn advocaten hebben de hiervoor onder 3.1.2 bedoelde stukken niet aangeleverd.
3.1.4
Op 24 juli 2025 heeft overleg plaatsgehad tussen de advocaten van partijen. [appellant] was niet aanwezig; de cliënten van mr. Huisman die Town House vertegenwoordigen waren evenmin aanwezig.
3.1.5
Bij e-mail van 25 juli 2025 heeft mr. Leon aan mr. Huisman onder meer bericht over een werkvergunning:
Als uw cliënte overweegt om [appellant] weer aan het werk te stellen, rust op haar de verplichting om een werkvergunning aan te vragen. Mijn cliënt is uiteraard bereid de daarvoor benodigde stukken te verstrekken.
Bij dezelfde e-mail heeft mr. Leon bericht dat [appellant] zijn verzoek in dit geding zal wijzigen:
Zoals tijdens het gesprek aangegeven, en na overleg met een accountant, zal mijn cliënt zijn eis wijzigen. De vordering zal primair netto worden geformuleerd. Ik zal u tijdig een akte vermeerdering van eis doen toekomen, zodat u daarop kunt reageren in uw akte.
3.1.6
Bij brief van 28 juli 2025 aan mrs. Koster en Leon hebben mrs. Huisman en J. Deelstra namens Town House [appellant] op staande voet ontslagen. De ontslagbrief vermeldt onder meer:
This termination is based on: (i) the fact that your client, [appellant], upon entering into the contract and/or thereafter, has misled [Town House] by providing false information regarding his legal status to work and reside on the island; and/or (ii) his failure to timely provide and – despite repeated requests – his persistent refusal to provide information and documentation substantiating his prior statements that he would have been legally authorized to work in Sint Maarten and would have been compliant with the applicable wage tax and social security obligations and/or other information relevant to his wage claims.
This decision was made after establishing the following facts:
(…)
Conclusions
After the aforementioned was established and [appellant]’s comments were taken into account, [Town House] has concluded that the facts and circumstances described above – individually and collectively – constitute urgent reasons (“dringende reden”) for immediate termination of his contract. (…)
3.1.7
Bij brief van 30 juli 2025 heeft mr. Leon namens [appellant] de nietigheid van het op 28 juli 2025 gegeven ontslag ingeroepen en herhaald dat [appellant] beschikbaar blijft om de bedongen arbeid te verrichten.
De overeenkomst moet gekwalificeerd worden als arbeidsovereenkomst
3.2
Town House heeft het Hof verzocht terug te komen van zijn oordeel dat de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Het Hof handhaaft dat oordeel. Het is het Hof niet gebleken dat het berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.
Het op 28 juli 2025 gegeven ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
3.3
Na de tussenbeschikking heeft Town House [appellant] op 28 juli 2025 op staande voet ontslagen. Als nieuw verweer tegen de verzoeken van [appellant] heeft Town House zich in deze procedure op deze nieuwe gebeurtenis beroepen. Het Hof dient het geschil te beoordelen naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak van het Hof. Daarom zal het Hof dit nieuwe verweer van Town House beoordelen. Hierbij zal het Hof ook betrekken dat [appellant] de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. Het Hof zal dus een oordeel geven over de rechtsgeldigheid van het op 28 juli 2025 gegeven ontslag. Hieraan staat niet in de weg dat dit ertoe leidt dat niet in twee feitelijke instanties zal kunnen worden geprocedeerd over de rechtsgeldigheid van dat ontslag.
3.4
Het Hof is van oordeel dat het op 28 juli 2025 gegeven ontslag niet rechtsgeldig is. Daartoe overweegt het Hof als volgt.
3.5
Zoals in de tussenbeschikking onder 3.1.6 is vastgesteld, heeft Town House op 30 juni 2017 van [appellant] verlangd dat deze een aan de Nederlandse kant van Sint Maarten gevestigde vennootschap zou hebben. Blijkens de eigen stellingen van Town House in de ontslagbrief heeft [appellant] op 4 augustus 2017 de advocaat van Town House bericht dat hij contact had gehad met de immigratiedienst over een verblijfsvergunning als directeur, en heeft hij op 15 augustus 2017 bericht dat hij de aanvraagprocedure voor een dergelijke verblijfsvergunning was begonnen. Dat sloot aan op het verlangen van Town House. Niet is gesteld of gebleken dat die berichten onjuist waren. Het lag vervolgens op de weg van Town House, indien zij dat belangrijk vond, om bij [appellant] te blijven nagaan hoe de aanvraagprocedure verliep en eventueel hem in de aanvraagprocedure bij te staan, te meer nu naar het oordeel van het Hof de rechtsverhouding weliswaar op verlangen van Town House anders is vormgegeven, maar in werkelijkheid aangemerkt moet worden als een arbeidsovereenkomst. De enkele omstandigheid dat in de door [appellant] ondertekende contracten en verlengingen staat dat [appellant]
legally licensed to work in Sint Maartenis, bevrijdt Town House niet van die verplichting en kan in elk geval niet de conclusie dragen dat [appellant] Town House zou hebben misleid, zoals in de ontslagbrief staat. Die ontslaggrond houdt dus geen stand.
3.6
De contacten tussen de advocaten na 14 mei 2025 vonden plaats naar aanleiding van de tussenbeschikking van het Hof in deze zaak en stonden dus in het teken van het geschil dat in deze rechtszaak aan de orde is. De verzoeken van de advocaten van Town House om in het kader van die contacten de hiervoor onder 3.1.2 bedoelde stukken aan te leveren kunnen niet worden aangemerkt als redelijke verzoeken van een werkgever aan een werknemer, maar veeleer als verzoeken om Town House munitie te verschaffen om de eigen stellingen in deze procedure te onderbouwen. Dat kon in redelijkheid niet van [appellant] en zijn advocaten konden verlangd. Bedacht moet ook worden dat iemand weer te werk stellen iets anders is dan iemand weer in dienst nemen; de wedertewerkstelling is niet gebaseerd op de totstandkoming van een nieuwe arbeidsovereenkomst, maar op de voortzetting van een bestaande arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat [appellant] en zijn advocaten niet onverkort gehoor hebben gegeven aan de verzoeken van Town House om stukken te verschaffen, levert daarom geen dringende reden voor ontslag op staande voet op, te minder nu zij wel op die verzoeken zijn ingegaan met argumenten waarom zij meenden niet aan de verzoeken te hoeven voldoen en zij zich ook bereid verklaarden de stukken aan te leveren die Town House nodig zou hebben om een werkvergunning voor [appellant] aan te vragen. De daarop gebaseerde ontslaggrond houdt dus evenmin stand.
3.7
Ook gezamenlijk beschouwd houden de ontslaggronden geen stand. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig.
Het beroep van Town House op dwaling faalt
3.8
Na de tussenbeschikking heeft Town House een beroep gedaan op dwaling. Zij is de arbeidsovereenkomst aangegaan onder invloed van de onjuiste veronderstelling dat [appellant] een geldige werk- en verblijfstatus had. Op grond daarvan heeft Town House de vernietiging van de arbeidsovereenkomst ingeroepen, waardoor er geen grondslag bestaat voor de loonvordering, aldus Town House.
3.9
Het beroep op dwaling is in strijd met de eisen van een goede procesorde te laat gedaan. Het kan reeds daarom niet gehonoreerd worden.
3.1
Ook als dit beroep tijdig gedaan zou zijn, zou het niet zijn gehonoreerd. De gang van zaken rond de werk- en verblijfsvergunning van [appellant], zoals hiervoor onder 3.5 beschreven, is geen voldoende grond voor vernietiging wegens dwaling. Zoals daar overwogen, lag het op de weg van Town House om bij [appellant] te blijven nagaan hoe de aanvraagprocedure verliep en hem eventueel in de aanvraagprocedure bij te staan. Indien al kan worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling van Town House en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is de dwaling niet te wijten aan een inlichting van [appellant] en kan niet gezegd worden dat [appellant] Town House had behoren in te lichten, terwijl evenmin sprake is van wederzijdse dwaling.
De na tussenbeschikking gewijzigde verzoeken van [appellant] zullen grotendeels worden toegewezen
3.11
Na de tussenbeschikking heeft [appellant] zijn verzoek aldus gewijzigd dat hij nu primair verzoekt om het maandloon waarvan hij eerder alleen de uitbetaling als brutoloon verzocht, als nettoloon uit te betalen en subsidiair om dat als brutoloon uit te betalen. Verder heeft hij zijn verzoek vermeerderd met USD 2.500, met rente, wegens onverschuldigde betaling.
3.12
Town House heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging en vermeerdering van de verzoeken. Dit bezwaar wordt verworpen. Town House heeft een beroep gedaan op de tweeconclusieregel, maar die regel geldt niet in het Caribische deel van het Koninkrijk (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009). Anders dan Town House heeft aangevoerd, wordt zij niet onredelijk in haar verdediging bemoeilijkt en wordt het geding niet onredelijk vertraagd door de wijziging en vermeerdering van de verzoeken. Het Hof zal dus recht doen op de verzoeken zoals die uiteindelijk luiden.
3.13
De gemachtigde van [appellant] heeft de wijziging van het verzoek met betrekking tot het nettoloon op 25 juli 2025 bij de gemachtigde van Town House aangekondigd. Deze wijziging houdt ermee verband dat Town House op 23 juni 2025 bewijs van belastingbetaling heeft verlangd. Mede gelet daarop heeft Town House voldoende gelegenheid gehad om een inhoudelijke reactie op het gewijzigde verzoek voor te bereiden en op te nemen in haar akte van 27 augustus 2025. Het verzoek van Town House om (meer) gelegenheid tot inhoudelijk verweer wordt daarom afgewezen.
3.14 [
[appellant] heeft het Hof verzocht productie 28 van Town House buiten beschouwing te laten omdat die op 25 augustus 2025 is ingediend. Dat is volgens [appellant] te laat. Het Hof zal productie 28 van Town House niet buiten beschouwing laten. Indien die op 25 augustus 2025 aan de advocaten van [appellant] is toegezonden, is dat weliswaar te laat volgens art. 12 lid 1 en Pro 2 Procesreglement 2023, maar dat is blijkens lid 3 van die bepaling niet doorslaggevend. De producties zijn loonbelastingkaarten 2017-2023 van [appellant], die van belang kunnen zijn geworden door de wijziging van het verzoek van [appellant], die niet zo veel eerder bij Town House bekend was.
3.15
In art. 4 van Pro de overeenkomst staat:
[[appellant]] will ensure that all of his personal taxes and license fees, if applicable, are paid and kept current for the term of this contract, and he will indemnify [Town House] from any liability for non-payment.
Deze bepaling past bij de vormgeving van de overeenkomst als
professional services agreement, maar niet bij het oordeel van het Hof dat de overeenkomst in wezen een arbeidsovereenkomst is. Deze bepaling doet er daarom niet aan af dat [appellant] de maandelijkse betalingen die hij ontvangen heeft, thans in de verhouding met Town House redelijkerwijs mag beschouwen als nettoloon (zodat hij wel inkomstenbelasting, maar geen loonbelasting verschuldigd kan zijn). Om dezelfde reden is niet doorslaggevend dat [appellant] in de procedure heeft gesteld dat zijn beloning op een rekening van Wally BV werd gestort en dat hij zichzelf een salaris toekende na aftrek van premies en belastingen.
3.16
Op grond van het voorgaande is het loonverzoek toewijsbaar als nettoloon, zodat Town House niet te veel heeft betaald en er uit dien hoofde geen tegenvordering bestaat die verrekend zou kunnen worden.
3.17 [
[appellant] heeft zijn verzoek vermeerderd met USD 2.500 en wettelijke rente. Aan het vermeerderde verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat hij USD 2.500 heeft betaald uit hoofde van een betalingsregeling na de veroordeling in kort geding tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van Villa 10 (zie 3.1.15 van de tussenbeschikking). Dit verzoek is eenvoudig van aard. Gelet hierop heeft Town House voldoende gelegenheid gehad om een inhoudelijke reactie op het vermeerderde verzoek voor te bereiden en op te nemen in haar akte van 27 augustus 2025. Het verzoek van Town House om (meer) gelegenheid tot inhoudelijk verweer wordt daarom afgewezen.
3.18
Town House heeft niets ingebracht tegen het vermeerderde verzoek (anders dan het tevergeefs gedane verzoek aan het Hof om terug te komen van zijn oordeel over de kwalificatie van de overeenkomst). Dit verzoek van [appellant] zal daarom worden toegewezen.
3.19
Het Hof zal het verzoek tot wedertewerkstelling toewijzen. Indien Town House de functie van property manager al aan een ander heeft vergeven, heeft zij aan zichzelf te wijten dat zij twee property managers heeft. Bij e-mail van 18 juni 2025 heeft mr. Koster aan mr. Huisman bericht dat (volgens hem) de overeenkomst met de andere manager op 30 september 2025 zal eindigen; de juistheid van deze stelling kan in het midden blijven. Verder is het aan Town House om, indien nodig, een werkvergunning voor [appellant] aan te vragen, en aan [appellant] om redelijke inspanningen te doen om hieraan mee te werken.
3.2
Het Hof zal het loon niet matigen. Toewijzing leidt in de gegeven omstandigheden niet tot onaanvaardbare gevolgen. Evenmin is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellant] loondoorbetaling zonder matiging verlangt. Town House heeft gesteld dat [appellant] winst heeft genoten uit de exploitatie van een pizzeria, maar zij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting van [appellant]. Town House heeft daarnaast gesteld dat [appellant] inkomsten heeft genoten voor beheer van vijf villa’s. Die stelling heeft zij onderbouwd met een mail van 17 juli 2025 van een zekere [naam]. Daarmee heeft zij onvoldoende aangevoerd om te kunnen aannemen dat [appellant] dermate aanzienlijke inkomsten uit andere arbeid heeft verdiend dat dit tot matiging van het loon zou moeten leiden. [appellant] was ook niet gehouden om zich tijdens de duur van deze procedure (al dan niet in het kader van een mogelijke minnelijke regeling) beschikbaar te houden voor werk voor Town House.
3.21
Het Hof zal de wettelijke verhoging over het loon matigen tot 15% en, voor zover de verzochte vergoeding voor het gemiste gebruik van Villa 10 aangemerkt kan worden als loon, de verzochte wettelijke verhoging daarover matigen tot nihil.
3.22
De mogelijk bestaande feitelijke onmogelijkheid om [appellant] zijn werkzaamheden te laten hervatten en Villa 10 aan hem ter beschikking te stellen geven het Hof aanleiding om aan de veroordelingen geen dwangsommen te verbinden. Ook zal het Hof Town House een wat langere termijn dan verzocht gunnen om aan de bevelen te voldoen.
Slotsom
3.23
De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd. De verzoeken moeten worden toegewezen als hierna te melden. Town House zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Town House om het loon van USD 3.307,50 netto per maand aan [appellant] door te betalen vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, gematigd tot 15%, en met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de betaling;
veroordeelt Town House om USD 1.500 per maand aan De Knop te betalen vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag dat hij weer gebruik kan maken van Villa 10 (zo lang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van de betaling;
beveelt Town House om [appellant] binnen een maand na de dag van uitspraak van deze beschikking in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid te verrichten;
beveelt Town House om [appellant] binnen een maand na de dag van uitspraak van deze beschikking de toegang tot Villa 10 en het genot daarvan te verschaffen;
veroordeelt Town House om USD 2.500 aan [appellant] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2024 tot aan de dag van de betaling;
veroordeelt Town House in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] gevallen en begroot op Cg 50,00 aan verschotten en Cg 2.500,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van de betaling;
veroordeelt Town House in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op Cg 900,00 aan verschotten en Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van de betaling;
veroordeelt Town House in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.W.A. Vonk, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.