ECLI:NL:OGHACMB:2025:320

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00052
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontbinding overeenkomst van opdracht en schadevergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De zaak betreft de ontbinding van een overeenkomst van opdracht tussen [appellante] en Caribbean Business Center & Management Holding B.V. (CBC). [appellante] stelt dat zij de overeenkomst terecht heeft ontbonden en vordert terugbetaling van een bedrag van NAf 8.175, dat zij aan CBC heeft betaald. CBC heeft in reconventie een vordering ingesteld tegen [appellante] voor een bedrag van NAf 47.714,50. Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en die van CBC deels toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat [appellante] terecht de overeenkomst heeft ontbonden, omdat CBC in verzuim was door niet te voldoen aan haar verplichtingen. Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht vernietigd en de vorderingen van [appellante] toegewezen, terwijl de vorderingen van CBC zijn afgewezen. Tevens is [geïntimeerde] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de schade.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Zaaknummers: CUR202203842 – CUR2024H00052
Uitspraak: 18 november 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. C.L. Taylor,
tegen
de besloten vennootschap

1. CARIBBEAN BUSINESS CENTER & MANAGEMENT HOLDING B.V.,

gevestigd in Curaçao,

2. [geїntimeerde],

wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: aanvankelijk mr. A.K. Kleinmoedig, die gedesisteerd is.
Partijen worden hierna [appellante], CBC en [geïntimeerde] genoemd. De laatste twee partijen worden gezamenlijk aangeduid als CBC c.s.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht door [appellante] terecht ontbonden is en welke de gevolgen moeten zijn van die al dan niet terechte ontbinding. Het gaat daarbij om een eventueel nog niet betaald deel van het overeengekomen loon, de terugbetaling daarvan, de verschuldigdheid van boete en de persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde].
Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en die van CBC, deels, toegewezen.
Het Hof komt tot een ander oordeel, vernietigt daarom het gewezen vonnis en wijst alsnog de vorderingen van [appellante] toe en die van CBC c.s. af.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 26 februari 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 15 januari 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, ECLI:NL:OGEAC:2024:141.
2.2
Bij op 8 april 2024 ingekomen memorie van grieven (met productie 7) heeft [appellante] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 15 januari 2024 zal vernietigen, de (conventionele) vordering van [appellante] alsnog zal toewijzen en de reconventionele vordering van CBC c.s. alsnog zal afwijzen, een en ander met veroordeling van CBC c.s. tot terugbetaling van wat ter uitvoering van dat vonnis door [appellante] is betaald en met veroordeling van CBC c.s. in de kosten van de procedure in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.3
Bij op 11 juni 2024 ingekomen memorie van antwoord hebben CBC c.s. de grieven bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal bevestigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
2.4
Op 5 november 2024 heeft mr. Kleinmoedig laten weten te desisteren als gemachtigde van CBC c.s.
2.5
Op 17 december 2024 heeft [appellante] pleitnotities (met een productie) ingediend.
2.6
Het Hof heeft een mondelinge behandeling bepaald op 5 november 2025. Verschenen zijn toen [appellante] en haar gemachtigde. CBC c.s. zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
CBC c.s. hielden zich ten tijde van de hierna te noemen overeenkomst tussen partijen bezig met architectonische ontwerpwerkzaamheden.
3.3
Op 3 maart 2021 is [appellante] voor het maken van een bouwtekening een overeenkomst van opdracht aangegaan met CBC. De datum van oplevering was conform de overeenkomst gepland op 31 juli 2021. Betaling van de overeengekomen termijnbetalingen diende, zo staat in de overeenkomst, telkens te geschieden door overmaking op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] bij Banco di Caribe ten name van [geïntimeerde] (verder: [geïntimeerde]). Hij was bestuurder van CBC.
3.4
Voor de werkzaamheden heeft CBC aan [appellante] NAf 8.175 in rekening gebracht.
3.5
Op 22 maart 2021 is een betalingsregeling getroffen voor dat bedrag. Referentienummer: [referentienummer]. Ingevolge die regeling diende [appellante] vijf maanden (maart tot en met juli 2021) elke maand NAf 1.362 te betalen, gevolgd door een slottermijn van NAf 1.365 in augustus 2021. Betaald diende te worden door overmaking op het bij 3.3 genoemde bankrekeningnummer.
3.6 [
appellante] heeft op 23 maart 2021, 6 mei 2021, 9 juli 2021 en 3 september 2021 een bedrag van NAf 1.362 cash ten kantore van CBC betaald. Op 23 juli 2021 heeft [appellante] een bedrag van NAf 2.724 overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer] bij Banco di Caribe op naam van Salinja Business Training Center B.V. (SBTC), met als referentienummer [referentienummer]. [geïntimeerde] was ook bestuurder van die vennootschap.
3.7
Bij deurwaardersexploot van 15 augustus 2022 heeft [appellante] CBC c.s. aangemaand om het bedrag van NAf 8.175 aan haar terug te betalen.
3.8 [
appellante] heeft, na daartoe bekomen verlof op 12 september 2022, ten laste van CBC conservatoir derdenbeslag gelegd onder Banco di Caribe N.V.
3.9 [
appellante] heeft bij verzoekschrift van 6 oktober 2022 de overeenkomst van opdracht met CBC ontbonden.

4.Vorderingen

4.1
In dit geding heeft [appellante] in eerste aanleg in conventie, gevorderd CBC c.s. te veroordelen tot betaling van NAf 8.175, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.2
CBC c.s. hebben in reconventie gevorderd veroordeling van [appellante] tot betaling aan hen van NAf 47.714,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en tot opheffing van de door [appellante] gelegde conservatoire beslagen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5.Beslissingen van het Gerecht

5.1
Het Gerecht heeft de conventionele vorderingen van [appellante] afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten. In reconventie is [appellante] veroordeeld tot betaling aan CBC c.s. van Naf 10.727, vermeerderd met wettelijke rente, tot opheffing van het gelegde derdenbeslag (op straffe van verbeurte van een dwangsom) en tot betaling van de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5.3
Overwogen is door het Gerecht in conventie (rov. 4.3 tot en met 4.5) dat onvoldoende onderbouwd is de stelling van [appellante] dat zij het bedrag van NAf 2.727 bevrijdend heeft betaald aan SBTC. Dat gaf CBC het recht haar prestatie (levering van een bouwkundige tekening) op te schorten. Van een tekortkoming van CBC was daarom geen sprake. Om die reden heeft de ontbindingsverklaring van [appellante] geen effect gehad en heeft zij geen recht op terugbetaling van NAf 8.175.
5.4
In reconventie is door het Gerecht overwogen dat [appellante], nu van bevrijdende betaling in zoverre geen sprake is geweest, alsnog het bedrag van NAf 2.727 aan CBC moet voldoen. Omdat zij zich niet aan de betalingsregeling heeft gehouden is zij ook boete verschuldigd. Die wordt door het Gerecht echter gematigd tot NAf 8.000. Onvoldoende onderbouwd is door CBC dat meerwerk is overeengekomen. Dat deel van de vordering van CBC wordt daarom afgewezen.

6.De beoordeling door het Hof

De grieven van [appellante]
6.1 [
appellante] heeft vier grieven aangevoerd (het Hof nummert deze door) tegen het vonnis van 11 maart 2024. Die grieven zien op de volgende thema’s:
- de ontbinding van de overeenkomst (grief 1)
- de resterende hoofdsom en de boete (grief 3)
- de veroordelingen in de proceskosten (grieven 2 en 4)
De ontbinding van de overeenkomst (grief 1)
6.2 [
appellante] heeft, in eerste aanleg en hoger beroep (memorie van grieven), gesteld dat zij het per bank betaalde bedrag van NAf 2.724 op instructie van [geïntimeerde] heeft betaald op rekeningnummer 33812301 bij Banco di Caribe op naam van Salinja Business Training Center B.V. (SBTC). Tijdens de mondelinge behandeling is dat door haar herhaald. Zij heeft haar stelling onderbouwd met de mededeling dat contante betaling gebruikelijk was, maar zij als gevolg van de Corona-epidemie in juli en augustus 2021 niet veilig contant kon gaan betalen bij CBC. Om die reden is door haar aan [geïntimeerde] gevraagd of en hoe per bank betaald kon worden en vervolgens heeft zij conform die instructie betaald. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook nog overgelegd een tweetal kwitanties gedateerd 31 juli 2021 en 31 augustus 2021. Toegelicht is dat deze kwitanties door [geïntimeerde], handgeschreven, zijn opgemaakt en afgestempeld (“PAID”) ten bewijze van de via de bank gedane betalingen van 2 x NAf 1.362.
6.3.
Deze nadere toelichting is niet weersproken door CBC c.s. Door niet bij de mondelinge behandeling te verschijnen hebben zij zich de mogelijkheid daartoe ook ontnomen; dat komt voor hun rekening en risico. Een en ander in onderling verband bezien maakt dat vaststaat dat [appellante] het volledige verschuldigde bedrag van
NAf 8.175 heeft voldaan. Van verzuim van haar kant was dus geen sprake. Van een opschortingsbevoegdheid van CBC ten aanzien van haar eigen prestatie was om die reden evenmin sprake. Door desondanks niet over te gaan tot haar prestatie (afgifte van de overeengekomen bouwtekening) was sprake van een tekortkoming van CBC in de nakoming van haar eigen verplichtingen.
6.4
Die tekortkoming gaf [appellante] het recht om tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan tenzij de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). Dat deze uitzondering van toepassing is hebben CBC c.s. niet aangevoerd.
6.5
Tenzij de nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas indien de schuldenaar in verzuim is (art. 6:265 lid 2 BW). CBC c.s. hebben slechts aangevoerd dat [appellante] niet volledig heeft betaald en CBC haar prestatie daarom terecht heeft opgeschort. Zij hebben niet weersproken dat van verzuim van de kant van CBC sprake was voor het geval wel volledig betaald zou blijken te zijn. Om die reden wordt er vanuit gegaan dat CBC in verzuim was.
6.6
De conclusie uit het voorgaande is dat [appellante] terecht de ontbinding van de gesloten overeenkomst heeft ingeroepen. Grief 1 slaagt.
De terugbetaling van de hoofdsom
6.7
De ontbinding van de overeenkomst heeft voor CBC de verplichting doen ontstaan tot ongedaanmaking van de reeds door haar ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). Dat betekent dat CBC nu gehouden is tot terugbetaling van het door haar ontvangen bedrag. Uit de kwitanties blijkt dat het om 6 x NAf 1.362 gaat, derhalve NAf 8.172. Tot terugbetaling van dat bedrag zal CBC alsnog worden veroordeeld.
De wettelijke rente
6.8
De wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf het moment dat CBC in verzuim is geweest de hoofdsom terug te betalen (art. 6:119 BW). Voor verzuim is een ingebrekestelling in een schriftelijke aanmaning nodig (art. 6:82 lid 1 BW). Uit de houding van CBC is echter gebleken dat aanmaning nutteloos is. Immers, een eerdere, aan de ontbinding van de overeenkomst voorafgaande, sommatie (per deurwaardersexploot) van 15 augustus 2022 tot terugbetaling van de hoofdsom had geen effect gesorteerd. Uit de in het inleidend verzoekschrift vervatte schriftelijke mededeling van de ontbinding bleek dat CBC aansprakelijk werd gesteld voor het uitblijven van de nakoming van de terugbetalingsverplichting. Dat geldt als ingebrekestelling (art. 82 lid 2 BW). De wettelijke rente is daarom toewijsbaar vanaf 6 oktober 2022, de datum van het beroep op ontbinding.
De buitengerechtelijke incassokosten en omzetbelasting
6.9
Voor toekenning van het gevorderde bedrag van NAf 750 wegens buitengerechtelijke incassokosten bestaat geen grond. Niet blijkt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht anders dan de sommatie van 15 augustus 2022. De vergoeding voor een dergelijke sommatie is begrepen in de proceskostenveroordeling. Voor de verschuldigdheid van de gevorderde omzetbelasting (NAf 45) is geen grond aangevoerd. Ook dat bedrag is daarom niet toewijsbaar.
De persoonlijke aansprakelijkheid van[geïntimeerde]
6.10 [
geïntimeerde] is persoonlijk aansprakelijk indien zich de situatie voordoet dat zijn handelen of nalaten als bestuurder van CBC ten opzichte van [appellante] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat [geïntimeerde] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger vs Roelofsen).
6.11
Vastgesteld kan worden dat CBC in gebreke is gebleven terug te betalen wat terugbetaald moest worden. Gebleken is ook dat [geïntimeerde] [appellante] heeft gevraagd 2 x NAf 1.362 te betalen op de rekening van SBTC om daarna als verweer op te werpen dat niet bevrijdend is betaald én daaraan een torenhoge boetevordering op te hangen. [geïntimeerde] heeft zich bovendien laten betalen op een privérekening van hem (niet dus van CBC) en een rekening van SBTC. De ontvangst van de betalingen is dus bewust weggehouden bij CBC. CBC is bovendien niet meer
in businessen biedt daarom geen verhaal, zoals onweersproken bij de mondelinge behandeling door [appellante] is gesteld. Dat blijkt ook uit het gegeven dat het door [appellante] ten laste van CBC gelegde derdenbeslag onder Banco di Caribe slechts kleeft tot een bedrag van NAf 594,41. Uit deze feiten, in onderling verband bezien, blijkt dat [geïntimeerde] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat zijn handelen bewerkstelligde dat CBC haar verplichtingen jegens [appellante] (terugbetaling) niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [geïntimeerde] wordt daarom ook persoonlijk veroordeeld tot betaling.

7.Slotsom

7.1
Grief 1 slaagt. De overige grieven behoeven daarom geen behandeling. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. De vorderingen van [appellante] worden alsnog toegewezen, zoals hierna vermeld. De vorderingen van CBC c.s. worden alsnog afgewezen. CBC c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep. Die kosten worden als volgt begroot:
eerste aanleg
- verschotten Cg 1.975,59 (oproep, griffierecht en beslagkosten)
- salaris gemachtigde Cg 2.000 (3 punten tarief 3 à Cg 500,- per punt)
hoger beroep
- verschotten Cg 1.366,64 (betekening ava en mvg en griffierecht)
- salaris advocaat Cg 1.250 (2,5 punt tarief 3 à Cg 500,- per punt)
7.2
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [appellante] verklaard dat nog geen uitvoering is gegeven aan het, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, vonnis van het Gerecht. Haar vordering tot terugbetaling van wat ter uitvoering van dat vonnis is betaald kan daarom niet worden toegewezen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2024 en, opnieuw rechtdoende,
veroordeelt CBC en [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van Cg 8.172, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2022 tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt CBC en [geïntimeerde] in de kosten van de procedure en begroot die kosten op
- eerste aanleg: Cg 1.975,59 aan verschotten en Cg 2.000 aan salaris gemachtigde;
- hoger beroep: Cg 1.366,64 aan verschotten en Cg 1.250 aan salaris gemachtigde;
- deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
verklaart dit vonnis ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijs af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. De Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.