Strijd met verbod van willekeur en strijd met gelijkheidsbeginsel
Het Hof stelt voorop dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen, voortzetten of afzien van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van de) vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat, omdat het openbaar ministerie de medeverdachte [medeverdachte 1] in bepaalde deeldossiers niet heeft vervolgd, het openbaar ministerie in de zaak van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Naar het oordeel van het Hof heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek (en/of de verschillende deelonderzoeken) in redelijkheid kunnen beslissen dat de verdachte ter zake de hem verweten strafbare feiten kon worden vervolgd voor de feiten zoals die op de tenlastelegging zijn opgenomen. Dit is op zichzelf ook niet zozeer betwist.
Over de gestelde strijd met het verbod van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel (vanwege het niet-vervolgen van [medeverdachte 1] in twee deeldossiers), merkt het Hof het volgende op.
[Medeverdachte 1] is vervolgd voor meerdere strafbare feiten, waaronder – net als de verdachte– betrokkenheid bij de uitvoer van 140kg en 172kg cocaïne (Sparrow). Ook is hij, net als de verdachte, vervolgd voor betrokkenheid bij CROW ZD-01. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel reeds daarom geen sprake. Ter zake Crow ZD-03 geldt dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte niet is vervolgd en dat geldt in soortgelijke zin ook voor Crow ZD-02.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur, noch dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Van een uitzonderlijk geval waarin sprake zou moeten zijn van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte op de grond dat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, is naar het oordeel van het Hof gelet op het voorgaande geen sprake.
De verweren dienaangaande worden verworpen.
Status [medeverdachte 1] - voordelen door het OM aan [medeverdachte 1] gegund?
De officier van justitie heeft in eerste aanleg in het requisitoir aangegeven dat er geen sprake is geweest van een zogenoemde ‘deal’ met [medeverdachte 1] (in ruil voor diens verklaringen). De procureur-generaal heeft dat in het requisitoir bevestigd. [Medeverdachte 1 / getuige] zelf heeft dat, zowel in zijn verhoor als getuige ter zitting van de strafzaak van de verdachte bij het Gerecht als ter zitting in hoger beroep als getuige - in beide instanties onder ede – bevestigd. Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, geen concrete aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat wel sprake is geweest van een ‘deal’ met [medeverdachte 1].
Dat [medeverdachte 1] op enig moment is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao, is vanwege dringende redenen van veiligheid, aldus de procureur-generaal. [Medeverdachte 1 / getuige] zelf heeft meermalen verklaard zich niet veilig te voelen en te worden bedreigd. Door wie, dat wil hij vanwege zijn veiligheid niet verklaren. Dit alles komt het Hof niet onaannemelijk voor. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdachten die openheid van zaken geven en daarbij ook over anderen belastende verklaringen afleggen, in sommige zaken, op zijn zachtst gezegd, niet geliefd zijn en soms moeten vrezen voor hun leven, of dat van hun naasten. Dat [medeverdachte 1 / getuige] vanwege zijn veiligheid is overgeplaatst, is overigens naar het oordeel van het Hof geen belang dat de verdachte aangaat. Dat het om een voorkeursbehandeling zou gaan, is niet gebleken.
Dat [medeverdachte 1 / getuige] door toedoen van het handelen van politie of justitie ten onrechte belastende verklaringen over de verdachte zou hebben afgelegd, is het Hof evenmin gebleken. Dat hij op een enkel onderdeel wisselend heeft verklaard, heeft het Hof gezien en dat maakt dat het Hof behoedzaam met zijn verklaringen om zal gaan.
Dat het Gerecht aan [medeverdachte 1] een straf heeft opgelegd die het Gerecht, gezien de bewezenverklaarde feiten en mede gelet op de proceshouding van die verdachte en diens spijtbetuigingen passend achtte, is iets dat niet het openbaar ministerie valt aan te rekenen en dus niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van de verdachte.
Nu niet is gebleken van enige deal met [medeverdachte 1], noch van enig voordeel dat hem is gegund (in ruil voor verklaringen), noch van het ontbreken van transparantie daaromtrent, worden de verweren reeds om die reden verworpen.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Het Hof heeft, met de verdediging en evenals het Gerecht, geconstateerd dat sommige processen-verbaal conclusies bevatten of stelligheden die niet direct zijn te relateren aan bevindingen die in de betreffende processen-verbaal zijn opgenomen. Dat is storend en in geval van onjuistheden doet het afbreuk aan de betrouwbaarheid van de betreffende processen-verbaal, iets waar de politie en, in zijn toezicht daarop, de officier van justitie, alert op dienen te zijn.
Het Hof heeft geconstateerd dat in meerdere processen-verbaal wordt verwezen naar andere processen-verbaal, waarin minder stellig wordt gerelateerd over bepaalde bevindingen en geen conclusies zijn opgenomen. In zoverre bevat het dossier dus (ook) een meer genuanceerde inhoud van hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd. Het Hof zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, ze worden (in ieder geval op die onderdelen) uitgesloten van het bewijs.
Op de verweren ten aanzien van de vertalingen van berichten, zal het Hof niet nader ingaan nu het Hof tot een vrijspraak komt ten aanzien van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten waarbij dergelijke berichten mogelijk een rol speelden. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en gelet op het voorgaande geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Schending van onschuldpresumptie
Ten aanzien van het persbericht van 11 maart 2024 overweegt het Hof als volgt. Het bericht, afkomstig van het openbaar ministerie, bevat een samenvatting door het openbaar ministerie van hetgeen naar zijn oordeel uit het onderzoek is gebleken. Daarbij zijn stellige bewoordingen gebruikt die over kunnen komen als vast staande feiten, terwijl de zaak nog ter beoordeling van het Gerecht voorlag. Meer nuance was naar het oordeel van het Hof passend geweest. Anderzijds wordt gesproken over verdachten en het persbericht eindigt met informatie over de eis van de officier van justitie zoals ter openbare zitting in het Gerecht gevorderd. Het kan voor iedereen duidelijk zijn dat dit de visie is van het openbaar ministerie en dat het om verdachten gaat (niet veroordeelden). Er worden geen verdachten met naam genoemd en ook niet met initialen die zouden zijn terug te leiden tot individuele verdachten. Dat de verdachte door deze berichtgeving tekort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt verworpen.