ECLI:NL:OGHACMB:2025:341

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
H-87/24
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SvArt. 6 EVRMArt. 387 lid 1 onder e SvArt. 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 3 Opiumlandsverordening 1960
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen uitvoer harddrugs, invoer hennep en vuurwapenbezit in Curaçao

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen verdachte, die werd veroordeeld voor meerdere druggerelateerde feiten en vuurwapenbezit.

De zaak betrof medeplegen van uitvoer van circa 140 en 172 kilo cocaïne uit Curaçao, medeplegen van invoer van ongeveer 577 pond hennep, medeplegen van voorbereidingshandelingen voor drugshandel en het bezit van een vuurwapen met munitie. Het bewijs bestond uit SKY ECC-berichten, camerabeelden, verklaringen van medeverdachten en ondersteunende documenten zoals vrachtbrieven en autoverhuurdossiers.

De verdediging voerde diverse verweren aan, waaronder niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, onbetrouwbaarheid van verklaringen van medeverdachte, onrechtmatigheden bij het verkrijgen van SKY ECC-data, en schending van het recht op een eerlijk proces. Het Hof verwierp deze verweren na uitgebreide motivering, oordeelde dat het bewijs wettig en overtuigend was en dat de verdachte strafbaar was.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de georganiseerde aard van de drugshandel, de maatschappelijke impact en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het Hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van elf jaren en onttrok het in beslag genomen vuurwapen en munitie aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot elf jaren gevangenisstraf voor medeplegen van uitvoer harddrugs, invoer hennep, voorbereidingshandelingen en vuurwapenbezit.

Uitspraak

Zaaknummer: H-87/24

Parketnummers: 500.00075/23, 500.00336/23 en 500.00005/24
Uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
thans [verblijfplaats] gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 van parketnummer 500.00075/23 (
zaaksdossier Parrot) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair, 3 primair en 4 van parketnummer 500.00075/23 (
zaaksdossiers Sparrow en Vuurwapen) en de ten laste gelegde feiten onder parketnummers 500.00005/24 (
zaaksdossier SKY [naam verdachte]) en 500.00336/23 primair (
zaaksdossier Crow ZD-03) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over in beslag genomen voorwerpen.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 1 van parketnummer 500.00075/23 ten laste gelegde. Deze vrijspraak betreft een beschermde vrijspraak waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte vrijspraak.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep slechts aan inhoudelijke beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 van parketnummer 500.00075/23 en het onder parketnummers 500.00336/23 en 500.00005/24 ten laste gelegde.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het inhoudelijke oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadslieden, mrs. M.C. Vaders en E.F. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
In het zaaksdossier SKY [naam verdachte] (tenlastelegging met parketnummer 500.0007/24) hebben de raadslieden primair de nietigheid van de dagvaarding bepleit. Voorts hebben de raadslieden bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en is subsidiair (/meer subsidiair) ter zake alle ten laste gelegde feiten (met uitzondering van feit 4 van de tenlastelegging met parketnummer 500.00075/23) bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Meer (/meest) subsidiair hebben de raadslieden een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadslieden hebben, net als de verdediging in eerste aanleg, bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaaksdossier SKY [naam verdachte] (tenlastelegging met parketnummer 500.0005/24) ten laste gelegde nietig zal worden verklaard. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De ten laste gelegde periode bestrijkt bijna twee jaar en de transporten c.q. handelingen zijn niet gespecificeerd naar plaats en datum. Dit maakt de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onbegrijpelijk en is het voor de verdachte onmogelijk zich daartegen te verweren.
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 285 Sv Pro vereist dat de opgave van het feit dusdanig moet zijn dat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht. Hierbij moet ook worden vermeld omstreeks welke tijd en waar het feit begaan zou zijn.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat dit vereiste moet worden bezien in de context van het onderliggende strafdossier. Van belang is derhalve dat er bij de verdachte bij kennisneming van de feiten en omstandigheden uit het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Hierbij dient ten aanzien van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumlandsverordening te worden opgemerkt dat niet vereist is dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen.
Het Hof is van oordeel dat in de tenlastelegging, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, voldoende specifiek is beschreven tegen welke voorbereidingshandelingen de verdachte zich moet verdedigen. Het dossier bevat talloze SKY-gesprekken waar de verdachte aan heeft deelgenomen. Deze gesprekken zijn in een bepaald tijdsbestek te plaatsen en de inhoud daarvan kan in verband worden gebracht met enkele feitelijke opsommingen (de ‘streepjes’ op pagina 2 en 3 van de tenlastelegging) van voorbereidingshandelingen in de tenlastelegging, zoals het uitwisselen van informatie en foto’s en het benaderen van personen.
De inhoud van deze SKY-gesprekken is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aan de verdachte voorgehouden en met hem besproken, waarbij de verdachte er geen blijk van heeft gegeven (bepaalde onderdelen van) de tenlastelegging niet te begrijpen. Ook blijkens de pleitnotities van de verdediging heeft de verdachte begrepen waartegen hij zich moest verdedigen en heeft hij zich bij monde van zijn raadsman ook inhoudelijk daartegen verdedigd.
Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de daaraan in de wet gestelde vereisten, wordt het verweer verworpen.
Normschendingsverweren (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat bepaalde bevindingen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dan wel dat het een en ander tot strafkorting zou moeten leiden.
Samengevat en zakelijk weergegeven, hebben de raadslieden in dat verband de volgende argumenten naar voren gebracht:
Voorkeursbehandeling medeverdachte, strijd met verbod van willekeur en gelijkheidsbeginsel
De medeverdachte [medeverdachte 1] is ten onrechte niet vervolgd ter zake een tweetal zaaksdossiers, te weten CROW ZD-02 (export 350kg cocaïne) en CROW ZD-03 (invoer 577 pond hennep). Door hem hier niet voor te vervolgen, heeft hij een veel lagere straf gekregen dan passend zou zijn en is hem immuniteit gegund.
[medeverdachte 1] was ‘de spin in het web’ in het havengebied, aldus ook de politie, en kan verantwoordelijk worden gehouden voor betrokkenheid van veel meer kilo’s drugs dan waarvoor hij is vervolgd en veroordeeld. Dat hij hiervoor niet is vervolgd, is een cadeau aan [medeverdachte 1] en dit is bovendien in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel.
Ontbreken transparantie door openbaar ministerie over status medeverdachte en gegunde voordelen
De medeverdachte [medeverdachte 1] was een kroongetuige en daar is het openbaar ministerie niet transparant over geweest. Dat blijkt uit de hiervoor genoemde hem gegunde immuniteit en het ontlopen van een hogere straf. Strafvermindering in ruil voor de verklaringen is compensatie voor zijn rol als kroongetuige, aldus de verdediging. Dat [medeverdachte 1] is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao kan een gunstige invloed hebben gehad op zijn bereidheid tot het afleggen van verklaringen. Dit alles is ontoelaatbaar. Er is geen proces-verbaal, zelfs geen verslag waarom [medeverdachte 1] een voorkeursbehandeling verdient.
Ook het ontbreken van transparantie over dit alles, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Er is sprake van foutieve vertalingen van berichten en er is gebruik gemaakt van processen-verbaal waarin meningen, gissingen en onjuistheden zijn opgenomen. In de procedure aangaande onderzoek Sparrow dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, in ieder geval tot bewijsuitsluiting, dan wel een behoorlijke strafkorting.
Schending beginsel onschuldspresumptie in berichtgeving openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft een persbericht uitgegeven op 11 maart 2024, de dag dat de officier van justitie het requisitoir hield bij het Gerecht. Daarbij is onvoldoende terughoudendheid en zakelijkheid betracht, hetgeen heeft geleid tot voor de verdachte schadelijke berichtgeving. De onschuldpresumptie is in ernstige mate geschonden door de gebezigde bewoordingen en daarmee het recht op een eerlijk proces. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit moet leiden tot strafverlaging.
Verweren ten aanzien van SKY ECC-gegevens
Anders dan eerder is aangenomen, hebben de Nederlandse autoriteiten de opsporingsmethode ter uitvoering van de hack op de SKY ECC-server ingezet en niet de Franse autoriteiten. De operatie was dus niet zuiver Frans, de telefoons zijn direct door Nederland gehackt. Nu Nederland de hack heeft uitgedacht en hierover de regie had, kan niet meer worden geschermd met het Europees vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie heeft jarenlang verkeerde informatie verstrekt en daarmee gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde en inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Door het verschaffen van verkeerde informatie zijn ook rechters op het verkeerde been gezet. Er is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan.
Bovendien is de SKY ECC-telefoon van de verdachte gehackt op Curaçao en die opsporingsmethode had vooraf in Nederland en op Curaçao getoetst moeten worden door zowel een Nederlandse en Curaçaose rechter. Dit is niet gebeurd en daarmee zijn de fundamentele rechten van de verdachte geschonden. Daarop dient niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsluitsluiting te volgen, aldus de raadsvrouw.
Ten onrechte is voorafgaand aan de verkrijging van de SKY ECC-data uit Frankrijk, geen machtiging van een Curaçaose rechter-commissaris gevraagd door het openbaar ministerie.
Het voorgaande dient te leiden tot algehele bewijsuitsluiting van deze data.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in het requisitoir op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft in dat verband, samengevat en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie om [medeverdachte 1] niet te vervolgen ter zake de zaaksdossiers CROW ZD-02 en CROW ZD-03 heeft de procureur-generaal verder nog betoogd dat er naar het oordeel van het openbaar ministerie te weinig bewijs voorhanden was om hem te vervolgen. Dat is een beslissing die de officier van justitie kan nemen, het betrof geen voorkeursbehandeling van [medeverdachte 1], aldus de procureur-generaal.
Ten aanzien van de door het Gerecht aan [medeverdachte 1] opgelegde straf heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het aan het Gerecht is om te bepalen welke straf passend en geboden is, niet het openbaar ministerie. Het Gerecht heeft overwogen dat het geven van openheid van zaken door [medeverdachte 1] in zijn voordeel wordt meegewogen. Dat kan het Gerecht doen, het is geen voordeel dat het openbaar ministerie hem heeft gegund.
Ten aanzien van SKY ECC-data heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verkrijging rechtmatig is geweest en dat gezien het ontbreken van delen van de communicatie, behoedzaam met de gegevens dient te worden omgegaan.
Oordeel Hof
Niet ontvankelijkheid OM vanwege strijd met verbod van willekeur of strijd met gelijkheidsbeginsel
Het Hof stelt voorop dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen, voortzetten of afzien van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat, omdat het openbaar ministerie de medeverdachte [medeverdachte 1] in bepaalde deeldossiers niet heeft vervolgd, het openbaar ministerie in de zaak van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Naar het oordeel van het Hof heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek (en/of de verschillende deelonderzoeken) in redelijkheid kunnen beslissen dat de verdachte ter zake de hem verweten strafbare feiten kon worden vervolgd voor de feiten zoals die op de tenlastelegging zijn opgenomen. Dit is op zichzelf ook niet zozeer betwist.
Over de gestelde strijd met het verbod van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel (vanwege het niet-vervolgen van [medeverdachte 1] in twee deeldossiers), merkt het Hof het volgende op.
[Medeverdachte 1] is vervolgd ter zake meerdere strafbare feiten, waaronder – net als de verdachte– betrokkenheid bij de uitvoer van 140kg en 172kg cocaïne (Sparrow). Ook is hij, net als de verdachte, vervolgd ter zake betrokkenheid bij CROW ZD-01. Ter zake Crow ZD-02 geldt dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte daarvoor niet zijn vervolgd. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is gelet daarop reeds daarom geen sprake, voor zover het deze feiten betreft.
Dat [medeverdachte 1] niet is vervolgd ter zake CROW ZD-03, acht het Hof in dit geval, gelet ook op de toelichting van de procureur-generaal in samenhang bezien met de inhoud van het betreffende zaaks-dossier niet zonder meer onbegrijpelijk. Zijn door de verdediging gestelde betrokkenheid komt naar het oordeel van het Hof niet in vergelijkbare mate als die van de verdachte naar voren in dit zaaksdossier.
Naar het oordeel van het Hof heeft de officier van justitie gelet op de inhoud van dit zaaksdossier in redelijkheid kunnen besluiten om de verdachte wel, doch [medeverdachte 1] niet te vervolgen voor betrokkenheid bij de feiten zoals gerelateerd in CROW-ZD 03.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur, noch dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Van een uitzonderlijk geval waarin sprake zou moeten zijn van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte op de grond dat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, is naar het oordeel van het Hof gelet op het voorgaande geen sprake.
De verweren dienaangaande worden verworpen.
Deal OM – [medeverdachte 1]? Voordelen door het OM aan [medeverdachte 1] gegund?
Het Hof stelt het volgende vast.
De officier van justitie heeft in eerste aanleg in het requisitoir aangegeven dat er geen sprake is geweest van een zogenoemde ‘deal’ met [medeverdachte 1] (in ruil voor diens verklaringen). De procureur-generaal heeft dat in het requisitoir bevestigd. [medeverdachte 1] zelf heeft dat, zowel in zijn verhoor als getuige ter zitting van de strafzaak van de verdachte bij het Gerecht als ter zitting in hoger beroep als getuige - in beide instanties onder ede – bevestigd. Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, geen concrete aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat wel sprake is geweest van een ‘deal’ met [medeverdachte 1].
Dat [medeverdachte 1] op enig moment is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao is vanwege dringende redenen van veiligheid, aldus de procureur-generaal. [medeverdachte 1] zelf heeft meermalen verklaard zich niet veilig te voelen en te worden bedreigd. Door wie, dat wil hij vanwege zijn veiligheid niet verklaren. Dit alles komt het Hof niet onaannemelijk voor. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdachten die openheid van zaken geven en daarbij ook over anderen belastende verklaringen afleggen, in sommige zaken, op zijn zachtst gezegd, niet geliefd zijn en soms moeten vrezen voor hun leven, of dat van hun naasten. Dat [medeverdachte 1] vanwege zijn veiligheid is overgeplaatst, is overigens naar het oordeel van het Hof geen belang dat de verdachte aangaat. Dat het om een voorkeursbehandeling zou gaan, is niet gebleken.
Dat [medeverdachte 1] door toedoen van het handelen van politie of justitie ten onrechte belastende verklaringen over de verdachte zou hebben afgelegd, is het Hof evenmin gebleken. Dat hij op een enkel onderdeel wisselend heeft verklaard, heeft het Hof gezien en dat maakt dat het Hof behoedzaam met zijn verklaringen om zal gaan, waarover later in dit vonnis meer.
Dat het Gerecht aan [medeverdachte 1] een straf heeft opgelegd die het Gerecht gezien de bewezenverklaarde feiten en mede gelet op de proceshouding van die verdachte en diens spijtbetuigingen passend achtte, is iets dat niet het openbaar ministerie valt aan te rekenen en dus niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van de verdachte.
Nu niet is gebleken van enige deal met [medeverdachte 1], noch van enig voordeel dat hem is gegund (in ruil voor verklaringen), noch van het ontbreken van transparantie daaromtrent, worden de verweren dienaangaande reeds om die reden verworpen.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Het Hof heeft, met de verdediging en evenals het Gerecht, geconstateerd dat sommige processen-verbaal conclusies bevatten of stelligheden die niet direct zijn te relateren aan bevindingen die in de betreffende processen-verbaal zijn opgenomen. Dat is storend en in geval van onjuistheden (zoals bijvoorbeeld de woonplaats van de verdachte), doet het afbreuk aan de betrouwbaarheid van de betreffende processen-verbaal, iets waar de politie en, in zijn toezicht daarop, de officier van justitie, alert op dienen te zijn.
Het Hof heeft geconstateerd dat in meerdere processen-verbaal wordt verwezen naar andere processen-verbaal, waarin minder stellig wordt gerelateerd over bepaalde bevindingen en geen conclusies zijn opgenomen. In zoverre bevat het dossier dus (ook) een meer genuanceerde inhoud van hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd. Het Hof zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, ze worden (in ieder geval op die onderdelen) uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft meerdere voorbeelden gegeven van vertalingen van berichten die naar haar oordeel onjuist zijn. De officier van justitie heeft daarop in eerste aanleg gereageerd, door de berichten nader te laten onderzoeken. Daaruit is naar voren gekomen dat bepaalde berichten (deels) anders konden of dienden te luiden. Het Hof gaat bij de bewijswaardering van deze berichten ook van deze nieuwe vertalingen uit. Of dit (steeds) een normschending oplevert, is naar het oordeel van het Hof niet in algemene zin te zeggen. Vertalingen vinden vaak immers plaats in een bepaalde context. Tekstberichten zoals hier aan de orde bevatten daarbij doorgaans maar zelden grammaticaal correcte en volledige zinnen, iets waarmee een vertaler rekening dient te houden. Ook kunnen tekstberichten taalfouten bevatten waardoor een letterlijke vertaling een onlogische inhoud op kan leveren. Enige interpretatie of een bepaalde ‘vertaalslag’ door een tolk kan met andere woorden soms passend zijn. Daarbij is het in dit geval ook nog zo dat veel berichten die zijn vertaald, taal bevatten met afkortingen, zogenoemde straattaal en/of zogenoemd versluierd taalgebruik. Tekstberichten zoals hier aan de orde laten zich kortom niet steeds gemakkelijk (letterlijk) vertalen. De door de politie ingezette beëdigde tolken hebben vertalingen gegeven en na nader onderzoek naar aanleiding van verweren van de verdediging zijn er vertalingen bijgekomen. Ook heeft de verdediging zelf in bepaalde gevallen aangegeven hoe een vertaling naar haar oordeel zou moeten luiden.
Dat sprake is geweest van het doelbewust onjuist (doen) vertalen van berichten en/of het doelbewust opmaken van onjuiste processen-verbaal dienaangaande, is het Hof niet gebleken. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en gelet op het voorgaande geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Nu de (gestelde) normschendingen vertalingen betreffen die opnieuw zijn uitgevoerd, ziet het Hof ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting en evenmin tot strafkorting. Bij de waardering van deze berichten voor het bewijs, zal het Hof behoedzaam met de berichten omgaan en voor zover nodig motiveren waarom bepaalde berichten naar zijn oordeel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
De verweren worden met in achtneming van het voorgaande verworpen.
Berichtgeving door OM – schending van onschuldpresumptie en recht op eerlijk proces
Ten aanzien van het persbericht van 11 maart 2024 overweegt het Hof als volgt. Het bericht, afkomstig van het openbaar ministerie, bevat een samenvatting door het openbaar ministerie van hetgeen naar zijn oordeel uit het onderzoek is gebleken. Daarbij zijn stellige bewoordingen gebruikt die over kunnen komen als vast staande feiten, terwijl de zaak nog ter beoordeling van het Gerecht voorlag. Meer nuance was naar het oordeel van het Hof passend geweest. Anderzijds wordt gesproken over verdachten en het persbericht eindigt met informatie over de eis van de officier van justitie zoals ter openbare zitting in het Gerecht gevorderd. Het kan voor iedereen duidelijk zijn dat dit de visie is van het openbaar ministerie en dat het om verdachten gaat (niet veroordeelden). Er worden geen verdachten met naam genoemd en ook niet met initialen die zouden zijn terug te leiden tot individuele verdachten. Dat de verdachte door deze berichtgeving tekort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces, acht het Hof niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
Verkrijging SKY ECC-berichten
Het Hof verwerpt – met inachtneming van hetgeen in de rechtspraak omtrent de feitelijke context is vastgesteld - de stelling dat de Nederlandse autoriteiten de opsporingsmethode ter uitvoering van de hack op de SKY ECC-server hebben ingezet, in die zin dat de aansluiting van IP-taps in juni 2019 op de servers in Roubaix, Frankrijk, heeft plaatsgevonden op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. De verdediging heeft dit ook niet onderbouwd. Het overleg dat in de aanloop hiernaar via Europol heeft plaatsgevonden op politie-politiebasis, impliceert geen Nederlands initiatief daartoe. Voor de verkrijging door Frankrijk van de op de SKY ECC-toestellen opgeslagen sleutels was geen toestemming vereist van een Curaçaose rechtercommissaris voor de SKY ECC-toestellen die zich op Curaçao bevonden. In december 2020 hebben de Franse autoriteiten de zogeheten
Man in The Middle-techniek, die door de Nederlandse politie is ontwikkeld en is gedeeld met Frankrijk, toegepast op een van de servers in Roubaix (en later op de tweede server aldaar) om de versleutelingselementen te verkrijgen die elke SKY ECC-telefoon gebruikt. Deze gegevens zijn afgevangen door het MITM-systeem in Frankrijk.
Het Hof is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven feitelijke context moet worden geconcludeerd dat de interceptie van de SKY ECC-gegevens op een server die zich in Frankrijk bevond, plaatsvond onder de verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, hetgeen maakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich brengt dat beslissingen van die Franse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen worden gerespecteerd en dat er (ook in de onderhavige zaak) van wordt uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht, nu immers niet is gesteld of gebleken dat in Frankrijk onherroepelijk is komen vast te staan dat dat onderzoek niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels is verricht (vgl. HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913). Anders dan de verdediging lijkt te suggereren, zijn de verkregen gegevens afkomstig van de server in Frankrijk en niet (direct) van SKY ECC-toestellen die zich (bijvoorbeeld) in Curaçao bevonden.
Ook zijn er geen aanwijzingen dat de wijze van vergaring en verkrijging van de SKY ECC-gegevens afbreuk doet aan de ‘overall fairness’ van de Curaçaose strafprocedure.
Verkrijging SKY ECC-berichten Curaçaose autoriteiten
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie heeft nagelaten om een rechter-commissaris in te schakelen voorafgaand aan een verzoek aan de Franse autoriteiten ter verkrijging van SKY-ECC data. Dit levert een vormverzuim ex artikel 413 Sv Pro op, waaraan de rechter een gevolg kan verbinden, aldus de verdediging. Het maakt het bewijs onvoldoende betrouwbaar, hetgeen zal moeten leiden tot vrijspraak van de feiten waarvoor de SKY-data belangrijke pijler voor het bewijs zijn.
Het Hof overweegt als volgt.
Verkrijging en gebruik data SKY ECC-[account]
Uit het dossier leidt het Hof het volgende af. In oktober 2021 stuurden de Curaçaose autoriteiten in onderzoek Themis een rechtshulpverzoek aan de Franse autoriteiten teneinde data te verkrijgen van contacten van de in dat rechtshulpverzoek genoemde SKY ECC-accounts. Het rechtshulpverzoek ging vergezeld van een beschikking van een Curaçaose rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie gegeven [1] .
Op 24 januari 2022 besliste een Franse rechter dat data konden worden verstrekt en gebruikt. [2] De dataset is aan het onderzoeksteam Themis toegezonden. [3] Naar het Hof begrijpt, zijn uit de verstrekte dataset gegevens naar voren gekomen aangaande (onder meer) account [account].
Van beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de uit Frankrijk verkregen dataset is het Hof niet gebleken.
De officier van justitie die de leiding had over onderzoek Themis, heeft op grond van artikel 177kc Sv, de officier van justitie die de leiding had over onderzoek Crow toestemming gegeven om data, waaronder data van SKY-account [account], verkregen in onderzoek Themis, te gebruiken. [4]
Het Hof stelt voorop dat de Curaçaose wet niet als vereiste stelt dat voor het gebruik in een strafzaak in Curaçao van de resultaten van een onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse (in dit geval Franse) autoriteit is verricht, een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven.
In dit geval heeft de officier van justitie (in onderzoek Themis) voorafgaand aan het rechtshulpverzoek aan de Franse autoriteiten (wellicht uit het oogpunt van zorgvuldigheid) desgevorderd een beschikking verkregen van de Curaçaose rechter-commissaris op grond van artikel 219 Sv Pro.
Het verweer treft dan ook geen doel.
Van een normschending zoals gesteld, is naar het oordeel van het Hof geen sprake. De officier van justitie in het onderzoek Themis heeft de verkregen gegevens kunnen gebruiken en verstrekken aan onderzoeksteam Crow.
Verkrijging en gebruik data SKY ECC-[account]
Uit het dossier leidt het Hof af dat de Curaçaose autoriteiten in onderzoek Crow op 23 januari 2023 een rechtshulpverzoek hebben verzonden aan de Franse autoriteiten teneinde data te verkrijgen behorende bij het SKY ECC-account [account] [5] en dat de verzochte data, na verkregen toestemming (door, zo begrijpt het Hof, de Franse autoriteiten) door het onderzoeksteam Crow zijn ontvangen. [6]
Nu de Curaçaose wet niet als vereiste stelt dat voor het gebruik in een strafzaak in Curaçao van de resultaten van een onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse (in dit geval Franse) autoriteit is verricht (zoals hier aan de orde), een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven, is ook ten aanzien van de verkrijging van deze gegevens van een normschending geen sprake.
Betrouwbaarheid data
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens heeft te gelden dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten ervan betrouwbaar zijn. De Curaçaose rechter is alleen gehouden de betrouwbaarheid te onderzoeken indien er concrete aanwijzingen bestaan voor het tegendeel. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, ziet het Hof dergelijke concrete aanknopingspunten niet en ook overigens is hiervan niet gebleken. Wel zal het Hof met de nodige behoedzaamheid de beschikbare data beoordelen.
Anders dan de verdediging heeft betoogd gaat het bij de beschikbare data niet om ‘onbeproefde data’, nu de verdediging de beschikking heeft gekregen over de in het onderhavige onderzoek verkregen data-set en de gegevens heeft kunnen controleren.
De verweren worden verworpen.
Slotsom
Het Hof is van oordeel dat de procedure als geheel, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de verschillende onderdelen is overwogen, voldoet aan de eisen van het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een eerlijk proces.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen in de zaken met parketnummers 500.00336/23 en 500.00005/24 en in de op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 maart 2024 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging in de zaken met parketnummer 500.00075/23. Van die dagvaardingen en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlasteleggingen gelden als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte:
Feiten 2 en 3 500.00075/23
zich in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 140 en 172 kilo cocaïne (twee transporten), dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (
zaaksdossier Sparrow);
Feit 4 500.00075/23
(in vereniging) omstreeks 20 maart 202
3een vuurwapen (een Glock 17) en patroonhouder(s) en/of munitie (44 patronen) voorhanden heeft gehad (
zaaksdossier Vuurwapen);
Ten aanzien van het jaartal in de pleegdatum merkt het Hof op dat in de tenlastelegging 2022 staat vermeld. Het Hof gaat er van uit dat dit, bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, waaruit blijkt dat het vuurwapen op 20 maart 2023 bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is aangetroffen, een kennelijke verschrijving is en dat bedoeld is 2023. Dit geldt te meer nu op de inleidende dagvaarding wel 2023 staat. Het Hof zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat dit jaartal de bedoeling was van de opsteller van de tenlastelegging en dat dat ook aldus door de verdediging is begrepen. De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen geschaad.
Tenlastelegging 500.00005/24
in de periode van 24 juni 2019 tot en met 23 januari 2021 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (
zaaksdossier SKY [naam verdachte]);
Tenlastelegging 500.00336/23
zich in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de invoer in Curaçao van ongeveer 577 pound hennep, dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd
(zaaksdossier Crow ZD-03).
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de (in het geval van cassatieberoep) in een bijlage II bij dit vonnis op te nemen bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 2 primair 500.00075/23; zaaksdossier Sparrow
hij in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 140.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne,
zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960
Feit 3 primair 500.00075/23; zaaksdossier Sparrow
hij in de periode van 3 december 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne,
zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960
Feit 4 500.00075/23; zaaksdossier Vuurwapen
hij op 20 maart 202
3, in Curaçao, een vuurwapen, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een Glock 17 en patroonhouders en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten 44 patronen 9x19mm, voorhanden heeft gehad;
500.00005/24; zaaksdossier SKY [naam verdachte]
hij op meer tijdstippen in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 februari 2021 te Curaçao en/of Sint Maarten en/of Jamaica en/of Nederland en/of Frankrijk en/of Spanje, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit bedoeld in artikel 3 eerste Pro lid onderdeel A/B van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:
- het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren
van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 3 eerste Pro lid voor te bereiden en te bevorderen
en
artikel 4 eerste Pro lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten: het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 4 eerste Pro lid voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,
hebbende hij, verdachte, op meer tijdstippen in voornoemde periode
- telefoon(s) voorhanden gehad en al dan niet met die telefoon(s) contacten onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt en besprekingen gehad met mededaders over het invoeren en/of uitvoeren van cocaïne en andere verdovende middelen en meerdere personen (al dan niet werkzaam bij de haven) benaderd, al dan niet via een tussenpersoon, en aangestuurd om de in- of uitvoer van cocaïne en andere verdovende middelen -al dan niet via de haven van Curaçao- mogelijk te maken en
- al dan niet via een of meer anderen betaald voor het dupliceren van een of meer containerzegels en
- de cocaïne en andere verdovende middelen aangeleverd en
- een of meerdere hoeveelheden cocaïne en andere verdovende middelen voorhanden gehad en verpakt en
- foto's gemaakt van verpakte cocaïne deze verzonden naar mededaders;
primaire feit 500.00325/23; zaaksdossier Crow ZD-03
hij in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid Pro
2van de Opiumlandsverordening 1960,
een hoeveelheid van ongeveer 577 pound, van een materiaal bevattende hennep
,althans enige bereiding van hennep, als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren – algemene overwegingen vooraf
Bruikbaarheid en betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn en dat het ondervragingsrecht in dusdanige mate beperkt is geweest, dat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
De procureur-generaal acht de verklaringen van de getuige wel betrouwbaar en is van mening dat deze kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Het Hof overweegt als volgt.
De getuige, tevens medeverdachte, [medeverdachte 1] is veelvuldig gehoord door de politie. Hij heeft in die verhoren ten aanzien van de diverse beschuldigingen zichzelf belast en ook over anderen, waaronder de verdachte, belastende verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn op onderdelen soms specifiek, soms meer algemeen.
De getuige is gedurende het strafproces in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging gehoord door de rechter-commissaris en op de terechtzitting. In eerste aanleg werd de verdachte alleen door mr. Vaders bijgestaan en zij heeft bij het verhoor van de rechter-commissaris geen vragen aan de getuige gesteld. Mr. Sulvaran heeft bij de rechter-commissaris een vraag aan de getuige gesteld over de vermeende betrokkenheid van o.a. de verdachte bij de drugshandel. Deze vraag heeft de getuige niet beantwoord. Hij heeft op een algemene vraag van de rechter-commissaris wel geantwoord dat hij zijn politieverklaringen heeft doorgelezen en daar bij blijft. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de getuige sommige vragen wel en sommige vragen niet beantwoord.
Ook heeft de rechter-commissaris sommige vragen belet. Ter zitting in eerste aanleg konden deze vragen wel worden gesteld en daarbij gaf de getuige aan sommige vragen niet te (willen) beantwoorden.
Het Hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het ondervragingsrecht gedurende het proces in eerste aanleg beperkingen kende.
Ter zitting in hoger beroep is de getuige, in het bijzijn van de verdediging, opnieuw en onder ede gehoord. Hij was inmiddels onherroepelijk veroordeeld en hem kwam geen verschoningsrecht meer toe aangaande de feiten waarover hij werd gehoord. Hij was ter zitting in hoger beroep fysiek in de rechtszaal aanwezig, de verdediging heeft alle vragen kunnen stellen en de getuige heeft op sommige vragen een inhoudelijk antwoord gegeven, op andere vragen gaf hij aan zich het een en ander niet meer te herinneren. Daarbij gaf hij aan dat dat kwam omdat er heel veel gedachten door zijn hoofd gaan, hij stress ervaart en dat er vragen worden gesteld over zaken die lang geleden zijn gebeurd. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat de getuige zonder grond heeft geweigerd vragen te beantwoorden, zoals de verdediging heeft gesteld.
Het Hof is van oordeel dat de verdediging het ondervragingsrecht op verschillende momenten heeft kunnen uitoefenen en dat, gelet op het voorgaande, de verdediging een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om de getuige vragen te stellen. Resumerend is het proces als geheel eerlijk verlopen en het bezigen voor het bewijs van specifieke gedeelten van de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie levert geen schending op van artikel 6 EVRM Pro.
Dat neemt niet weg dat het Hof – mede gezien de hiervoor geschetste gang van zaken - met behoedzaamheid met de verklaringen van de getuige om zal gaan en per ten laste gelegd feit zal beoordelen in hoeverre de verklaringen betrouwbaar zijn te achten, waarbij zal worden betrokken in hoeverre er steunbewijs is voor zijn verklaringen.
In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het Hof geen aanleiding om de verklaringen in zijn geheel onbetrouwbaar te achten of uit te sluiten van het bewijs. Dat [medeverdachte 1] over de verdachte leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Identificatie gebruikers SKY ECC-accounts
Identificatie SKY ECC-accounts [account] en [account]
Het openbaar ministerie baseert de verdenking dat de verdachte als medepleger betrokken is bij meerdere drugstransporten respectievelijk voorbereidingen daartoe, eveneens op een veelheid aan SKY ECC-conversaties met als deelnemer een tweetal SKY ECC-accounts, namelijk [account] en [account]. Deze accounts worden door het openbaar ministerie aan de verdachte toegeschreven. Ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde feiten dient het Hof daarom eerst te bepalen of de verdachte daadwerkelijk als gebruiker van deze accounts kan worden geïdentificeerd.
De belangrijkste bevestiging daartoe is dat de stem van de verdachte bij 246 van de 250 voiceberichten (van beide SKY-accounts) is herkend door de verbalisanten (bij herhaalde beluistering). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat het SKY ECC-account [account] ‘[bijnaam verdachte]’ wordt genoemd. Uit de verklaring van de verdachte zelf bij de politie d.d. 21 maart 2023 volgt dat de bijnaam van verdachte ‘[bijnaam verdachte]’ is. Op 22 september 2020 stuurt het account [account] naar [account betrokkene] dat hij aanstaande 28 jarig is en dat hij 49 jaar wordt. De verdachte is op 28 september jarig en in het jaar 2020 werd hij 49 jaar oud. Verder blijkt dat de verdachte twee zoons heeft met zijn partner, [naam partner verdachte]. Een van de zoons heet [naam zoon verdachte]. De gebruiker van [account] noemt ook deze twee namen. Op 10 december 2020 stuurt het account [account] ‘
ik heb een nieuwe, accepteer mij wanneer je wakker wordt’. Vanaf deze datum heeft het account [account] contact met het account [account], waar het account [account] daarvoor contact mee had. Bovendien blijkt dat 8 van de 11 tegenaccounts van het account [account] ook tegenaccounts waren van het account [account]. Ook noemt het account [account betrokkene] de naam ‘[bijnaam verdachte]’ in de communicatie met het account [account] op 24 februari 2021, wat overeenkomt met hoe het account [account] werd genoemd.
Het Hof is op basis van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat de verdachte [verdachte] de gebruiker is geweest van de SKY ECC-accounts [account] en [account].
Identificatie SKY ECC-account [account]
Het openbaar ministerie baseert de verdenking dat de verdachte als medepleger betrokken is bij meerdere drugstransporten respectievelijk voorbereidingen daartoe, op een veelheid aan SKY ECC-conversaties met als deelnemer SKY ECC-account [account]. Dit account wordt door het openbaar ministerie aan de medeverdachte [medeverdachte 2] toegeschreven. Ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde feiten dient het Hof daarom eerst te bepalen of [medeverdachte 2] daadwerkelijk als gebruiker van dit account kan worden geïdentificeerd.
De belangrijkste bevestiging daartoe is dat de stem van [medeverdachte 2] bij alle 75 voiceberichten is herkend door de verbalisant (ook bij herhaalde beluistering). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte 2] de bijnamen ‘[bijnaam 1 medeverdachte 2]’ en ‘[bijnaam 2 medeverdachte 2]’ heeft. De gebruiker van SKY ECC-account [account] wordt op meerdere momenten in de tenlastegelegde periode zo genoemd door andere accounts, en zegt ook zelf op 6 april 2020 ‘het is [bijnaam 2 medeverdachte 2]’. Verder is [medeverdachte 2] op 9 april jarig, en ontvangt het account [account] op deze datum felicitaties.
Het Hof is op basis van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien van oordeel [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van het SKY ECC-account [account].

Zaaksdossier Sparrow

Dit zaaksdossier bevat de resultaten van een onderzoek naar twee drugstransporten van respectievelijk 140 en 172 kilo cocaïne die in november/december 2020 vanuit de haven van Curaçao in containers naar het buitenland zijn verscheept. De lading van 172 kilo cocaïne is door de Franse autoriteiten in Le Havre onderschept. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van deze harddrugs vanuit Curaçao.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi vrijspraak bepleit en daartoe diverse bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft betoogd dat het bewijs zwaar leunt op de inhoud van SKY-berichten. Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] heeft de verdediging geen reële mogelijkheid gekregen om [medeverdachte 1] als getuige te horen, nu hij zich in eerste aanleg op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij in hoger beroep – vanwege vermeend geheugenverlies – belangrijke vragen onbeantwoord heeft gelaten. De verdediging verzoekt het Hof de verklaringen van [medeverdachte 1] om die reden buiten beschouwing te laten. Ook overigens zijn er diverse bewijsverweren gevoerd, zoals in het schriftelijk pleidooi weergegeven. Tot slot klopt de berekening van 140 kilo cocaïne niet, aldus de verdediging.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van respectievelijk 140 en 172 kilogram cocaïne uit Curaçao. Zij heeft zich daarbij meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte bij het transport van 172 kilogram cocaïne geheel kan worden vastgesteld op basis van de SKY-gesprekken, dus los van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1].
Beoordeling Hof
Het Hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep het volgende vast.
Zoals hiervoor overwogen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde perioden gebruik heeft gemaakt van SKY-account [account] en dat medeverdachte [medeverdachte 2] in die periode de gebruiker van SKY-account [account] was.
Uitvoer uit Curaçao van 140 kilo cocaïne in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020
Uit de SKY-communicatie blijkt dat zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf 2 november 2020 veelvuldig contact heeft met de gebruiker van SKY-account [account betrokkene]. Hierbij blijken de verdachte en [medeverdachte 2] soms samen te zijn (dan zegt de verdachte bijvoorbeeld:
“Ik ben hier met [bijnaam medeverdachte 2], we zijn bezig” of dan worden in een voicenote de stemmen van zowel de verdachte als van [medeverdachte 2] op de achtergrond herkend) en wordt ook onderling verwezen naar elkaar (dan zegt de verdachte bijvoorbeeld tegen [account betrokkene]: “
praat met [bijnaam medeverdachte 2]”). Ze spreken daarbij over blokken, containers, de dienst van de containerman, zwanger raken, GPS-apparaten, seals en sturen daarbij foto’s van blokken met daarop verschillende logo’s, sporttassen, verhuisdozen, gele containerzegels en containers/-nummers.
De verdachte stuurt foto’s van welke merken (logo’s) ingekocht kunnen worden, waaronder het logo van de zon en de opdruk “REAL”. Er wordt eerst ingezet op 115 kilo, later wordt dat 140 kilo. [account betrokkene] geeft aan hoe de cocaïne moet worden ingepakt en overlegt daarover met zowel de verdachte als [medeverdachte 2]. De cocaïne wordt per gesealde blokken van 20 in blauwe sporttassen verpakt en de tassen worden in verhuisdozen geplaatst. [medeverdachte 2] stuurt foto’s van het inpakken naar [account betrokkene]. [account betrokkene] geeft instructies aan [medeverdachte 2] dat de blokken met de zon, 118 kilo, naar Sint Maarten moeten gaan.
Op 17 november 2020 (00.24 uur UTC-tijd) chat de verdachte naar [account betrokkene]: “
ze zijn binnen het werk aan het doen.” Dat is op 16 november 2020 om 20.24 uur Curaçaose tijd (UTC-4). Om 20.36 uur (Curaçaose tijd) zegt de verdachte in een voicenote aan [account betrokkene] dat het werk klaar is. En: “
Elk moment denk ik dat [bijnaam medeverdachte 2] het je doorgeeft.”
Het tijdstip van omstreeks 20.30 uur in de avond (
in de tijdzone van de verdachte op 16 november 2020) komt overeen met opvallende bewegingen op en rond het CPS-haventerrein van Curaçao die op camerabeelden (gericht op de toegangspoort) zijn vastgelegd. Op deze beelden heeft de politie de medeverdachten [medeverdachte 1] en CPS-bewaker [medeverdachte 3] herkend; de herkenningen worden bevestigd door [medeverdachte 1] en de CPS-leidinggevende [getuige]. [medeverdachte 1] rijdt om 19.08 uur met een CPS-pick up (PU2) het haventerrein af. Om 20.15 uur komt deze zelfde CPS-pick up (PU2) aanrijden bij de poort en rijdt (tegen het uit het dossier blijkende CPS-protocol in) zonder bij het beveiligingshuisje te stoppen, het haventerrein op. De poort wordt direct gesloten. Vervolgens wordt om 20.26 uur de poort geopend zonder dat er een voertuig bij de poort staat. Om 20.27 uur komt de CPS-pick up (PU2) zonder verlichting vanaf het haventerrein aanrijden en stopt net buiten de poort. [medeverdachte 1] stapt aan de bestuurderskant uit en aan de passagierskant stapt een onbekend persoon uit. Deze passagier loopt direct weg. [medeverdachte 1] parkeert de PU2 vervolgens op het haventerrein. Daarna loopt [medeverdachte 1] de poort uit en rijdt om 20.30 uur weg van de haven in zijn eigen auto.
[medeverdachte 1] heeft over deze bewegingen c.q. handelingen op 16 november 2020 op de camerabeelden verklaard dat hij (om 20.15 uur) het haventerrein kwam oprijden met een bijrijder en met verdovende middelen in de achterbak van de CPS-pick-up, dat hij en de bijrijder samen de container hebben geopend en [medeverdachte 1] de bijrijder vervolgens bij de container heeft achtergelaten, zodat de bijrijder de verdovende middelen in de container kon stoppen en dat [medeverdachte 1] hem enige tijd later weer heeft opgehaald.
Uit het vervolg van de SKY-conversatie blijkt het volgende.
[medeverdachte 2] stuurt aan [account betrokkene] op 16 november 2020 om 21.13 uur Curaçaose tijd foto’s van een verbroken gele verzegeling en van een intacte gele verzegeling (met hetzelfde nummer), een foto van de verzegeling in een blauw slot en een foto van een container met nummer THRU2398660. Direct daarna stuurt hij een foto van een papier met daarop:
vessel: Pacific Trader, 16-11-2020, destination Jamaica. De verdachte stuurt foto’s met daarop een berekening en zegt aan [account betrokkene] dat er 3416 van het geld over is. De verdachte bericht verder aan [account betrokkene] dat de boot er al is en dat het vandaag of morgen eruit gaat. Op 18 november 2020 stuurt [medeverdachte 2] foto’s naar [account betrokkene] van de loadlist van de Pacific Trader waar de container met nummer THRU2398660 op staat. Hij bericht dat ze het al hebben opgetild en erin hebben gedaan en dat het schip om 6 uur is vertrokken. [account betrokkene] stuurt deze foto’s door aan [account] en chat: 140, 118 is voor Sint Maarten. Uit opgevraagde informatie over de route van de container THRU2398660 blijkt dat de container op 16 november 2020 “
in-gate” in Willemstad was, dat de container op 17 november 2020 op het schip is geladen en dat het schip op 25 november 2020 in Kingston (Jamaica) is aangekomen.
Uitvoer uit Curaçao van 172 kilo cocaïne in de periode van 1 december 2020 tot en met 18 januari 2021
Een soortgelijke gang van zaken met betrekking tot een drugstransport in een container vanuit de haven in Curaçao, voltrok zich op en rond 5 december 2020.
Uit de SKY-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] op 3 december 2020 naar [account betrokkene] chat dat ze het deze week gaan zetten en dat de GPS aan het opladen is. Op 5 december 2020 meldt de verdachte aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden en geeft aan dat er geld moet komen.” Ook [medeverdachte 2] meldt op diezelfde datum aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden. Op 6 december 2020 stuurt de verdachte foto’s naar [account betrokkene] van vier gesealde dozen met daarop de teksten “LarHarve” en “Take out”.
De verdachte vertelt aan [account betrokkene] later die dag dat het ding niet wilde sluiten vanwege het gewicht van boven en dat de jongen iets omhoog moest tillen. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat de deur van de container niet wilde sluiten nadat de verdovende middelen in de container waren geladen en dat hij een breekijzer heeft gehaald, zodat de container een beetje omhoog kon worden getild en toch kon worden gesloten. [medeverdachte 1] heeft voorts over dit transport verklaard dat hij met de verdovende middelen en de contactpersoon het haventerrein is opgereden en dat [medeverdachte 3] de poort heeft opengedaan, van de verdovende middelen afwist en heeft geholpen om de containerdeur te sluiten, omdat hiervoor extra mankracht nodig was.
Op de camerabeelden van de ingang van het CPS-haventerrein in Curaçao zijn in de nacht van 5 op 6 december 2020 bewegingen waargenomen die aansluiten bij de tijdlijn van de SKY-conversatie en de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteunen. Omstreeks 23.00 uur is te zien dat een witte pick-up het haventerrein oprijdt zonder (conform het protocol) bij de poort te stoppen, en direct doorrijdt naar de containers. Even later is te zien dat [medeverdachte 1] en een beveiliger (die door de politie wordt herkend als [medeverdachte 3]) iets zoeken onder het trapgedeelte van het beveiligershuisje. Kort daarna loopt [medeverdachte 1] richting de containers op het haventerrein met een voorwerp in zijn hand dat lijkt op een koevoet.
Op 18 januari 2021 worden in Le Havre in Frankrijk in een container een drietal dozen aangetroffen met daarop de tekst “LarHarve”, geschreven in hetzelfde handschrift als op de dozen op de foto die de verdachte op 6 december 2020 naar [account betrokkene] heeft verzonden. In elke doos bevonden zich twee stoffen sporttassen met daarin 153 blokken cocaïne met een totaalgewicht van ongeveer 172 kilo. Op de gesealde blokken stonden afbeeldingen van een zon en de tekst “REAL”. Ook worden twee GPS-trackers aangetroffen.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in zijn politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn. Op specifiek voorgehouden (mogelijk) belastende feiten en omstandigheden heeft hij niet gereageerd.
SKY ECC-communicatie
Het verweer dat de verdenking van de verdachte in overwegende mate berust op cryptocommunicatie, mist naar het oordeel van het Hof, gezien de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen daaromtrent hiervoor is vastgesteld, feitelijke grondslag. Immers is door de douane in Frankrijk op 18 januari 2021 een lading cocaïne aangetroffen in dozen waarmee de verdachte in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 3 (de 172 kilo), maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan het wettig en overtuigend bewijs dat ook ten aanzien van feit 2 (de 140 kilo), kan worden vastgesteld dat het ook daar om cocaïne ging. Daarnaast bestaat het bewijs voor beide transporten mede uit camerabeelden van de (toegangspoort van de) haven – die hetgeen in de cryptocommunicatie wordt besproken, ook in de tijdlijn, sterk ondersteunen – en de verklaringen van [medeverdachte 1], waarin wordt bevestigd dat de camerabeelden op zowel 16 november als op 5 december 2020 verband houden met het plaatsen van verdovende middelen in containers op die avonden.
Ten aanzien van de inhoud van de cryptocommunicatie stelt het Hof voorop dat het daarmee, gelet op de aard en inhoud van de communicatie, de onvolledigheid van (delen van) die communicatie en mogelijke (op onderdelen) met vertaling gepaard gaande ruis, bij de beoordeling van de tenlastelegging behoedzaam om is gegaan. De aanzienlijke hoeveelheid aan berichten die door de verdachte en enkele medeverdachten zijn verzonden kennen echter een chronologisch verloop dat goed te volgen is, waarbij ook foto’s zijn verzonden van blokken met logo’s, dozen (met opschrift), sporttassen, gesealde pakketten, containers en containerzegels en waarbij – vanwege de hoeveelheid berichten – de duiding van een eenzijdig bericht (telkens) steun vindt in opvolgende berichten.
De getuige [medeverdachte 1]
Ten aanzien van het verweer ter zake het niet voor het bewijs kunnen bezigen van (verdachte)verklaringen van [medeverdachte 1] wegens het ontbreken van ondervragingsmogelijkheid van [medeverdachte 1] als getuige, wordt verwezen naar hetgeen daarover hiervoor in algemene zin is overwogen. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen overweegt het Hof nader als volgt.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat hetgeen op de avond van 16 november 2020 en in de nacht van 5 op 6 december 2020 op de camerabeelden van de haven is te zien, verband houdt met de uitvoer van verdovende middelen, staat niet op zichzelf. De in de bewezenverklaring opgenomen gedragingen van de (mede)verdachte(n) in de betreffende pleegperioden kunnen mede bewezen worden op grond van andere bewijsmiddelen, die steun geven aan de hiervoor genoemde verklaringen en betrekking hebben op hetgeen de verdachte betwist. Zoals reeds is overwogen, sluiten de camerabeelden naadloos aan op (de tijdlijn) van de SKY-communicatie. Een inhoudelijk treffende gemene deler tussen alle drie de bewijsmiddelen (de SKY-communicatie, de camerabeelden en de verklaringen van [medeverdachte 1]) is voorts de chat van de verdachte aan [account betrokkene] over de container die niet dichtging, het camerabeeld waarop is te zien dat [medeverdachte 1] met een op een koevoet gelijkend voorwerp op het haventerrein richting de containers loopt en hetgeen [medeverdachte 1] daarover heeft verklaard. Van belang is hierbij dat [medeverdachte 1] deze “anekdote” spontaan, uit zichtzelf vertelt als de politie hem de camerabeelden van die nacht laat zien. Een ander voorbeeld betreft de ondersteuning van de camerabeelden bij de uitleg van [medeverdachte 1] over de vaste werkwijze bij drugstransporten, waarbij een bewaker in het complot moet zitten, zodat in afwijking van het havenprotocol de toegangspoort wordt geopend zonder dat er een toegangscontrole en of registratie plaatsvindt.
De ondersteuning van deze andere bewijsmiddelen draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat het Hof voornoemde (delen van de) verklaringen van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar acht. In het betrouwbaarheidsoordeel heeft het Hof eveneens meegenomen dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen ook zichzelf behoorlijk heeft belast en intussen (ook) voor deze feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Het aantal kilo’s (feit 2)
Uit de inhoud en het verloop van de SKY-communicatie is naar het oordeel van het Hof duidelijk af te leiden dat de verdachte, [medeverdachte 2] en de gebruiker van SKY-account [account betrokkene] eerst een transport van 115 kilo voor ogen hebben gehad, maar dat deze lading is vermeerderd naar 140 kilo. Deze hoeveelheid wordt meermalen herhaald, waarbij ook wordt afgesproken dat 22 apart moet worden verpakt om eruit gehaald te worden, de rest moet door naar Sint Maarten. De gebruiker van [account betrokkene] drukt een andere SKY-gebruiker op 18 november 2020 bovendien nog eens op het hart dat sprake is van 140, waarvan 118 voor Sint Maarten bestemd is.
Conclusie
Concluderend kan naar het oordeel van het Hof uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen betrokken was bij de twee drugstransporten. Hij vervulde daarin een belangrijke rol.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs.

Zaaksdossier SKY [naam verdachte]

Verdachte wordt – in de kern – verweten dat hij op meerdere momenten in de periode van 24 juni 2019 tot en met 23 januari 2021 te Curaçao, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot drugstransporten.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft – kort en zakelijk samengevat – betoogd dat het bewijs in deze zaak volledig bestaat uit SKY ECC-berichten die uit één en dezelfde bron komen en dat elk ander steunbewijs ontbreekt. Voort stelt hij dat de datasets onvolledig zijn en onvoldoende context bieden, waardoor niet kan worden vastgesteld wat er precies wordt besproken en of dit daadwerkelijk betrekking heeft op strafbare feiten of op de verdachten. Nu er geen aanvullende bewijsmiddelen zijn, wordt niet voldaan aan het bewijsminimum.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich – kort en zakelijk samengevat – op het standpunt gesteld dat het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor drugstransporten wettig en overtuigend kan worden bewezen. De betrokkenheid van de verdachte volgt rechtstreeks uit de SKY-gesprekken, waarin hij als gebruiker van de accounts [account] en [account] optreedt. De inhoud van de berichten laat geen andere uitleg toe dan dat daarin de voorbereiding van grootschalige drugstransporten wordt besproken, mede door de foto’s, de gebruikte terminologie, de genoemde landen, hoeveelheden en geldbedragen.
Beoordeling Hof
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte via zijn SKY ECC-accounts [account] en [account] in de ten laste gelegde periode intensief communiceerde met gebruikers van diverse andere accounts. In deze gesprekken wordt stelselmatig gesproken in termen die in de context niet anders kunnen worden verstaan dan als (voorbereidingen van de) handel in verdovende middelen, te weten cocaïne en hennep/marihuana. In deze berichten worden concrete termen gebruikt als blokken, stenen, kilo, seal/zegel, container, schip, bakken, GPS-apparatuur die in ladingen wordt geplaatst en wordt er gesproken over het gebruik van een machine om containerzegels te maken. Voorts zijn er foto’s van verpakte blokken aangetroffen, met logo’s die overeenkomen met de in de gesprekken genoemde merknamen, zoals ‘Gatorade’ en ‘Louis Vuitton’. Daarnaast worden er verschillende doorvoer- en bestemmingslocaties genoemd, zoals Cartagena, Maicao, Cúcuta, Venezuela, Curaçao, Jamaica, Suriname en Antwerpen. Ook worden zeer grote geldbedragen genoemd, onder meer 240.000 gulden, bedragen van 155.000 tot 485.000 gulden bij ‘
de Chinees’en zelfs 3 miljoen, telkens in verband met het verkopen of kopen van de drugs. Uit de genoemde hoeveelheden, zoals ‘meer dan 30 blokken’, ‘100 voor weinig’, ‘20 of 30 kilo per week’, ‘25 Gatorade’, ‘en zelfs ‘500 kilo’, blijkt dat het bovendien gaat om grootschalige drugstransporten.
Uit de SKY ECC-berichten leidt het Hof af dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen werkte en hij in het geheel een leidinggevende, coördinerende en meer financiële positie innam. Hij bepaalde welke partijen in welke hoeveelheden werden ingekocht en welke middelen beschikbaar kwamen.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in de politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn.
Naar het oordeel van het Hof kan elk SKY ECC-bericht worden beschouwd als ‘een ander geschrift’ in de zin van artikel 387, lid 1 onder e Sv. Een dergelijk geschrift kan alleen voor het bewijs gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hun beurt ook een ‘ander geschrift’ kunnen zijn. Dit betekent dat, indien en voor zover de inhoud van een SKY ECC-bericht als bewijs steun vindt in een ander SKY ECC-bericht, wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Uit het voorgaande volgt tevens dat – anders dan de verdediging heeft betoogd – bij de onderscheiden SKY ECC-berichten geen sprake is van een en dezelfde bron.
Ten aanzien van de inhoud van de SKY ECC-communicatie herhaalt het Hof dat het daarmee behoedzaam is omgegaan bij de beoordeling van de tenlastelegging, gelet op de aard en inhoud van de communicatie en de onvolledigheid van (delen van) die communicatie. De aanzienlijke hoeveelheid aan berichten die door de verdachte en enkele medeverdachten zijn verzonden kennen echter een chronologisch verloop dat goed te volgen is, waarbij ook foto’s zijn verzonden en waarbij – vanwege de hoeveelheid berichten – de duiding van een eenzijdig bericht (telkens) steun vindt in opvolgende berichten.
Dat sprake is van communicatie over drugs blijkt (ook) reeds uit de communicatie zoals hiervoor weergegeven ten aanzien van de bevindingen in onderzoek Sparrow, welke samenvallen met het onderhavige verwijt en de hierna te bespreken bevindingen in onderzoek CROW-3 (invoer hennep). Die beide zaaks-dossiers bevatten bovendien steunbewijs voor hetgeen in de SKY-communicatie wordt besproken.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs en invoer van softdrugs.

Zaaksdossier Crow ZD-03

De verdachte wordt primair verweten dat hij zich in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 in Curaçao, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ongeveer 577 pound hennep.
Standpunt verdediging
De raadslieden hebben in dit zaaksdossier – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat het hier ging om de invoer van 577 pond wiet.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich – kort en zakelijk samengevat – op het standpunt gesteld dat het medeplegen van de invoer van 577 pound hennep wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de SKY-gesprekken tussen de verdachte en medeverdachten blijkt onmiskenbaar dat zij betrokken waren bij het organiseren en uithalen van een drugstransport. Uit de specifieke terminologie, foto’s van container- en zegelnummer en het inzetten van een huurauto komt een beeld naar voren van hun betrokkenheid. De verdachte hield zich bezig met de coördinatie en de financiële afspraken, terwijl [medeverdachte 2] de praktische organisatie van de uithaal op zich nam en contact onderhield met personen binnen de haven, aldus de procureur-generaal.
Beoordeling Hof
Uit de SKY ECC-gesprekken tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en de accounts [account betrokkene] en [account] blijkt dat [account betrokkene] op 5 oktober 2020 aangeeft ‘
weed’ nodig te hebben in Curaçao en dat het eiland ‘
ready is for the ship’. Op 9 oktober 2020 stuurt [accunt] foto’s van een container en bijbehorende zegel (TCKU3865164 / ZZCSN2772O) naar [account betrokkene], waarvan later uit een vrachtbrief blijkt dat deze 359 dozen kerstverlichting bevat. [account] bevestigt dat 13 tassen worden verstuurd, waarna [account betrokkene] dit doorstuurt naar de verdachte. [medeverdachte 2] en de verdachte bespreken vervolgens de benodigde seal, de kosten daarvan en de betalingen voor het uithalen. De verdachte dringt vanaf 10 oktober 2020 aan op geld voor de seal en meldt op 12 oktober 2020 dat 10.000 gulden nodig is en er ook een busje moet worden gehuurd. Op 17 oktober 2020 meldt de verdachte dat ‘
seal en busje’gereed staan; het gaat om een grijze Toyota Hiace (A-26-60), gehuurd door [medeverdachte 2] en de verdachte van 17 t/m 23 oktober 2020, zo blijkt uit de administratie van het autoverhuurbedrijf ECOM Car Rental. Vanaf 18 oktober 2020 houden beiden [account betrokkene] op de hoogte van de situatie in de haven, de aankomst van de container en het uithalen. [medeverdachte 2] geeft op 21 oktober 2020 aan dat hij de ‘
jongen van het poort/het hek’heeft gesproken, dat deze aanwezig zal zijn en dat het uithalen alleen kan met deze insiders. De verdachte bevestigt dat ‘
de gozer het er morgen uithaalt’en dat het is aangekomen in ‘
een bak met verlichting/lampen’, hetgeen overeenkomt met de hiervoor vermelde inhoud van de betreffende container TCKU3865164. Op 23 oktober 2020 deelt de verdachte mee dat de hennep is uitgenomen. [account betrokkene] reageert dat het om ‘goede wiet’ gaat. In de nacht van 23 op 24 oktober 2020 berekent [medeverdachte 2] het gewicht; omgerekend naar de Curaçaose maat betreft de lading 577 pound.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in de politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn.
Uit het voorgaande kan naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 577 pound hennep.
Voor verwerping van het verweer dat de SKY ECC-berichten de enige bron van bewijs vormen en de datasets onvolledig zijn en derhalve onvoldoende context aan de gesprekken bieden, verwijst het Hof naar hetgeen daaromtrent in het zaaksdossier SKY [naam verdachte] is overwogen. Daarbij geldt bovendien dat in dit zaaksdossier de vrachtbrief en de administratie van het autoverhuurbedrijf als ondersteuning dienen van de SKY-communicatie.

Zaaksdossier vuurwapen

De verdachte heeft het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie ter zitting in hoger beroep bekend. Dit feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair en 3 primair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00075/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en/of d en/of e en A en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, meermalen gepleegd.
Het op de tenlastelegging met parketnummer 500.00075/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, en strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro de Vuurwapenverordening 1930. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreden van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de

Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Het op de tenlastelegging met parketnummer 500.00005/24 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D, 3a, eerste lid, onderdeel A, B of D, voor zover opzettelijk gepleegd, of artikel 4, eerste lid, onderdeel A, voor zover opzettelijk gepleegd, van de Opiumlandsverordening 1960, door zich of een ander gelegenheid, middelen, of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Het onder 1 primair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00336/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en/of c en/of d en A en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf en maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Ook heeft het Hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor drugsbezit tot 25 kilo als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden gegeven. Voor de hoeveelheden als in de zaak van de verdachte bewezen verklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Het gaat hier (meermalen) om de uitvoer van een veelvoud in kilo’s in georganiseerd verband.
Het Hof neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.
De verdachte heeft samen met anderen opzettelijk in twee transporten per container in totaal ruim 300 kilo cocaïne uit Curaçao uitgevoerd. Daarnaast heeft hij samen met anderen ruim 570 pond hennep in Curaçao ingevoerd en samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd voor grootschalige handel (met name export) in verdovende middelen. Dergelijke hoeveelheden zijn van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheden bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten – en in duidelijk georganiseerd verband met anderen - hiermee een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen. Het Hof acht voorts aannemelijk geworden dat met de drugshandel grote geldbedragen gemoeid zijn geweest, hetgeen eveneens een ondermijnend effect heeft op de Curaçaose samenleving. Het Hof weegt al deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de verdachte een Glock, patroonhouders en munitie voorhanden gehad, hetgeen het Hof zorgelijk acht.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat in zekere zin (deels) sprake is van samenloop tussen enkele van de bewezen verklaarde concrete uitvoer-/invoerdelicten en de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen.
Het Hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen de verdachte en zijn raadslieden naar voren hebben gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte vervult volgens de raadslieden een belangrijke zorg- en kostwinnersrol en zijn detentie heeft zware emotionele en financiële gevolgen voor zijn gezin. Daarbij is gewezen op internationale aanbevelingen waaruit volgt dat detentie van een ouder negatieve invloed kan hebben op de ontwikkeling van kinderen. Verdachte heeft dit bevestigd en toegelicht dat zijn jonge kinderen de situatie van nabij hebben meegemaakt, dat zijn echtgenote ook gedetineerd is geweest en onder elektronisch toezicht stond en dat ook zijn bedlegerige moeder zwaar onder de omstandigheden lijdt. Verder heeft hij aangegeven dat dat twee van zijn zes kinderen speciaal onderwijs nodig hebben, wat aanzienlijke kosten met zich brengt.
Het Hof heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de gezinsleden van de verdachte en zijn moeder zich bevinden door de detentie van de verdachte. Deze detentie is evenwel een direct gevolg van de door het Hof bewezenverklaarde ernstige strafbare feiten waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt. De gevolgen voor zijn naasten komen dan ook geheel voor zijn rekening.
De verdediging heeft voorts betoogd dat de in eerste aanleg opgelegde straf te hoog is in vergelijking met straffen elders binnen het Koninkrijk, waarbij zij ter vergelijking enkele Nederlandse strafzaken heeft genoemd.
Het Hof overweegt hieromtrent dat de geldende maatstaven dienaangaande in Curaçao anders zijn dan in Nederland, hetgeen ook blijkt uit de verschillen in de wettelijke strafmaxima van dezelfde delicten. Het Hof laat de genoemde Nederlandse voorbeelden derhalve buiten beschouwing, maar slaat – zoals hiervoor reeds is overwogen – wel acht op de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter in Curaçao worden opgelegd.
Het Hof is na afweging van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van elf jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een vuurwapen van het merk Glock, model 17, twee patroonhouders en 44 scherpe patronen van het kaliber 9x19 mm.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.
Het onder feit 4 van parketnummer 500.00075/23 bewezenverklaarde is met betrekking tot deze voorwerpen begaan en het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen is bovendien in strijd met de wet en het algemeen belang.
Het Hof zal de voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:74, 1:75, 1:136 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 7 juni 2024 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 1 van parketnummer 500.00075/23 ten laste is gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 primair, 3 primair en 4 van parketnummer 500.00075/23 ten laste gelegde feiten heeft begaan, alsmede dat hij hetgeen op de tenlastelegging met parketnummer 500.00007/24 en het primaire feit van de tenlastelegging met parketnummer 500.00336/23 heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
11 (elf) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vuurwapen van het merk Glock, model 17, twee patroonhouders en 44 scherpe patronen van het kaliber 9x19 mm.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse en mr. M.T. Maas, (zittings)griffiers, en op 18 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mrs. Thierry en Maas zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Algemeen dossier rechtshulp Crow, p. FR 17-49.
2.Zaaksdossier SKY [naam verdachte], p. 111-115.
3.Zaaksdossier SKY [naam verdachte], p. R1-03.
4.Zaaksdossier SKY [naam verdachte] R5-02, proces-verbaal bevindingen S0Z-043.
5.Algemeen dossier rechtshulp Crow, FR 50-56.
6.Zaaksdossier SKY [naam verdachte], p. R5-181.