ECLI:NL:OGHACMB:2025:342

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
H-83/24
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SvArt. 6 EVRMArt. 413 SvArt. 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 3 Opiumlandsverordening 1960
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medewerker containerhaven Curaçao voor uitvoer van 650 kilo cocaïne en voorbereidingshandelingen

De verdachte, werkzaam in de containerhaven van Curaçao, werd in eerste aanleg veroordeeld tot 11 jaar gevangenisstraf wegens uitvoer van circa 650 kilo cocaïne in twee transporten en voorbereidingshandelingen daartoe. Hij stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

In hoger beroep werden verweren gevoerd over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en bewijsuitsluiting met betrekking tot SKY ECC-gegevens, die via een hack op Franse servers waren verkregen. Het Hof oordeelde dat de tenlastelegging voldoende specifiek was en dat de opsporingsmethode onder Franse verantwoordelijkheid was uitgevoerd, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. De verdediging kon geen concrete aanwijzingen voor onrechtmatigheid of onbetrouwbaarheid van de gegevens aandragen.

Het Hof stelde vast dat de verdachte gebruiker was van de SKY ECC-accounts die in het onderzoek centraal stonden, mede op basis van stemherkenning en inhoudelijke berichten. De bewijsmiddelen toonden aan dat de verdachte betrokken was bij de uitvoer van 300 kilo cocaïne in januari-februari 2020 en 350 kilo in februari-maart 2021, alsmede bij voorbereidingshandelingen in de periode december 2019 tot maart 2021. De strafbaarheid werd gekwalificeerd als medeplegen van opzettelijke drugssmokkel en voorbereidingshandelingen volgens de Opiumlandsverordening 1960.

Bij de strafoplegging hield het Hof rekening met de ernst van de feiten, de georganiseerde aard van de drugssmokkel, het misbruik van zijn positie in de haven en de schadelijke gevolgen voor de samenleving. Hoewel begrip werd getoond voor persoonlijke omstandigheden van de verdachte, werd een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend geacht. Het Hof veroordeelde de verdachte tot 9 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van uitvoer van 650 kilo cocaïne en voorbereidingshandelingen.

Uitspraak

Zaaknummer: H-83/24

Parketnummers: 500.00188/23 en 500.00042/24
Uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
thans [verblijfplaats] gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 1 en 2 van parketnummer 500.00188/23 en het onder parketnummer 500.00042/24 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van voorarrest.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw
mr. M.C. Vaders, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft ter zake alle feiten de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte bepleit. Subsidiair heeft zij algehele vrijspraak bepleit en meer subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsvrouw heeft, net als in eerste aanleg, bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaaksdossier SKY [naam verdachte] (tenlastelegging met parketnummer 500.00188/23) ten laste gelegde nietig zal worden verklaard. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De transporten c.q. handelingen zijn niet gespecificeerd naar plaats en datum. Dit maakt de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onbegrijpelijk en is het voor de verdachte onmogelijk zich daartegen te verweren.
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 285 Sv Pro vereist dat de opgave van het feit dusdanig moet zijn dat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht. Hierbij moet ook worden vermeld omstreeks welke tijd en waar het feit begaan zou zijn.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat dit vereiste moet worden bezien in de context van het onderliggende strafdossier. Van belang is derhalve dat er bij de verdachte bij kennisneming van de feiten en omstandigheden uit het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Hierbij dient ten aanzien van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumlandsverordening te worden opgemerkt dat niet vereist is dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen.
In de tenlastelegging is voldoende specifiek beschreven tegen welke voorbereidingshandelingen de verdachte zich moet verdedigen. De tenlastelegging bevat de handelingen die de verdachte ter voorbereiding van de delicten uit de Opiumlandsverordening 1960 heeft gepleegd. Deze zijn in hoger beroep – mede in het kader van de transporten van 300 (SKY [naam verdachte]) en 350 kilo (Crow ZD-02) die in de aanhef van dit tenlastegelegde feit zijn genoemd - met de verdachte besproken en hij gaf er blijk van te begrijpen waarvan hij werd verdacht. Het Hof acht de tenlastelegging voldoende gespecificeerd.
Normschendingsverweren (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat alle SKY ECC-berichten, althans een aantal bevindingen dienaangaande dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Samengevat en zakelijk weergegeven, heeft de raadsvrouw in dit verband de volgende argumenten naar voren gebracht:
Verkrijging (en gebruik) SKY ECC-berichten
De Nederlandse autoriteiten hebben de opsporingsmethode ter uitvoering van de hack op de SKY ECC-server ingezet en niet de Franse autoriteiten. De operatie was dus niet zuiver Frans, de telefoons zijn direct door Nederland gehackt. Nu Nederland de hack heeft uitgedacht en hierover de regie had, kan niet meer worden geschermd met het Europees vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie heeft verkeerde informatie verstrekt en daarmee gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde en inbreuk gemaakt op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Er is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan. Bovendien is de SKY ECC-telefoon van de verdachte gehackt op Curaçao en die opsporingsmethode had vooraf in Nederland en op Curaçao getoetst moeten worden door zowel een Nederlandse als een Curaçaose rechter. Dit is niet gebeurd en daarmee zijn de fundamentele rechten van de verdachte geschonden. Daarop dient niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsluitsluiting te volgen, aldus de raadsvrouw.
Voorts heeft het openbaar ministerie nagelaten om een rechter-commissaris in te schakelen voorafgaand aan een verzoek aan de Franse autoriteiten ter verkrijging van SKY ECC-data. Dit levert een vormverzuim ex artikel 413 Sv Pro op, waaraan de rechter een gevolg kan verbinden. Het maakt het bewijs onvoldoende betrouwbaar, hetgeen zal moeten leiden tot vrijspraak van de feiten waarvoor de SKY-data belangrijke pijler voor het bewijs zijn.
Foute vertalingen
De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de SKY-berichten op stelselmatige wijze dusdanig ‘verkeerd’ in het dossier zijn gerelateerd dan wel vertaald dat dit het hele onderzoek raakt. Aldus is sprake van ernstige onherstelbare vormverzuimen. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot uitsluiting van het bewijs van alle processen-verbaal met uitgewerkte SKY-berichten.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft samengevat en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De procureur-generaal heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad en hetgeen het Gerecht heeft overwogen, betoogd dat de SKY ECC-data op rechtmatige wijze zijn verkregen en dat er, gelet op het feit dat er data ontbreken in de datasets, behoedzaam met de gegevens om dient te worden gegaan.
Oordeel Hof
Verkrijging SKY ECC-berichten
Het Hof verwerpt – met inachtneming van hetgeen in de rechtspraak omtrent de feitelijke context is vastgesteld - de stelling dat de Nederlandse autoriteiten de opsporingsmethode ter uitvoering van de hack op de SKY ECC-server hebben ingezet, in die zin dat de aansluiting van IP-taps in juni 2019 op de servers in Roubaix, Frankrijk, heeft plaatsgevonden op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. De verdediging heeft dit ook niet onderbouwd. Het overleg dat in de aanloop hiernaar via Europol heeft plaatsgevonden op politie-politiebasis, impliceert geen Nederlands initiatief daartoe. Voor de verkrijging door Frankrijk van de op de SKY ECC-toestellen opgeslagen sleutels was geen toestemming vereist van een Curaçaose rechtercommissaris voor de SKY ECC-toestellen die zich op Curaçao bevonden. In december 2020 hebben de Franse autoriteiten de zogeheten
Man in The Middle-techniek, die door de Nederlandse politie is ontwikkeld en is gedeeld met Frankrijk, toegepast op een van de servers in Roubaix (en later op de tweede server aldaar) om de versleutelingselementen te verkrijgen die elke SKY ECC-telefoon gebruikt. Deze gegevens zijn afgevangen door het MITM-systeem in Frankrijk.
Het Hof is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven feitelijke context moet worden geconcludeerd dat de interceptie van de SKY ECC-gegevens plaatsvond onder de verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten, hetgeen maakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met zich brengt dat beslissingen van die Franse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen worden gerespecteerd en dat er (ook in de onderhavige zaak) van wordt uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht, nu immers niet is gesteld of gebleken dat in Frankrijk onherroepelijk is komen vast te staan dat dat onderzoek niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels is verricht (vgl. HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913).
Ook zijn er geen aanwijzingen dat de wijze van verkrijging van de SKY ECC-gegevens afbreuk doet aan de ‘overall fairness’ van de Curaçaose strafprocedure.
Verkrijging data SKY ECC-[account] en [account] Curaçaose autoriteiten
Uit het dossier leidt het Hof het volgende af. In oktober 2021 stuurden de Curaçaose autoriteiten in onderzoek Themis een rechtshulpverzoek aan de Franse autoriteiten teneinde data te verkrijgen van contacten van de in dat rechtshulpverzoek genoemde SKY ECC-accounts. Het rechtshulpverzoek ging vergezeld van een beschikking van een Curaçaose rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie gegeven. [1]
Op 24 januari 2022 besliste een Franse onderzoeksrechter dat data konden worden verstrekt en gebruikt. [2] De data zijn aan het onderzoeksteam Themis toegezonden. [3]
Van beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik van de uit Frankrijk verkregen dataset is niet gebleken.
De officier van justitie die de leiding had over onderzoek Themis, heeft op grond van artikel 177kc Sv, de officier van justitie die de leiding had over onderzoek Crow toestemming gegeven om data, waaronder data van SKY-account [account], verkregen in onderzoek Themis, te gebruiken. [4]
Ook data behorende bij account [account] bleken zich in de uit Frankrijk verkregen en aan onderzoeksteam Themis verstrekte dataset te bevinden. De officier van justitie van onderzoeksteam Themis gaf toestemming aan onderzoeksteam Crow om de data te gebruiken. [5]
Het Hof stelt voorop dat de Curaçaose wet niet als vereiste stelt dat voor het gebruik in een strafzaak in Curaçao van de resultaten van een onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse (in dit geval Franse) autoriteit is verricht, een machtiging van de Curaçaose rechter-commissaris is afgegeven.
In dit geval heeft de officier van justitie (in onderzoek Themis) voorafgaand aan het rechtshulpverzoek aan de Franse autoriteiten (wellicht uit het oogpunt van zorgvuldigheid) desgevorderd een beschikking verkregen van de Curaçaose rechter-commissaris op grond van artikel 219 Sv Pro.
Gelet op het voorgaande, treft het verweer geen doel. Het Hof is van oordeel dat de voorgaande gang van zaken voldoet aan de vereisten die op grond van de wetgeving van Curaçao en de jurisprudentie daaraan worden gesteld. Van een normschending als bedoeld in artikel 413 Sv Pro is geen sprake.
Betrouwbaarheid data
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens heeft te gelden dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de resultaten ervan betrouwbaar zijn. De Curaçaose rechter is alleen gehouden de betrouwbaarheid te onderzoeken indien er concrete aanwijzingen bestaan voor het tegendeel. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, ziet het Hof dergelijke concrete aanknopingspunten niet en ook overigens is hiervan niet gebleken. Wel zal het Hof met de nodige behoedzaamheid de beschikbare data beoordelen.
Foute vertalingen
Het Hof stelt voorop dat de SKY-gesprekken zijn vertaald door beëdigde tolken. Bij het vertalen is altijd discussie mogelijk over de betekenis van de brontaal en de juiste vertaling van die betekenis in de doeltaal. Een vertaling kortweg fout noemen is daarom zelden terecht.
Naar is oordeel van het Hof is niettemin uit enkele in de pleitnota gegeven voorbeelden van SKY-gesprekken gebleken dat de vertaling vanuit het Papiamentu naar het Nederlands onjuist is. Waar deze onjuistheid betrekking heeft op het bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde, zullen deze (onderdelen van) gesprekken niet voor het bewijs worden gebezigd. Daar waar de verdediging een andere vertaling van een gesprek of een gedeelte ervan geeft, maar de betekenis van het gesprek (nagenoeg) dezelfde blijft, kan het Hof het gesprek voor het bewijs gebruiken. Het Hof zal in alle gevallen met grote behoedzaamheid de betekenis van de gesprekken beoordelen. Niet alleen de discussie over de vertaling is hiervoor aanleiding. Ook het gegeven dat gesprekken lang niet altijd volledig zijn weergegeven en met versluierd taalgebruik zijn gevoerd nopen het Hof tot voorzichtigheid bij het gebruik voor het bewijs van deze gesprekken.
Een onjuiste vertaling van een aantal woorden of zinsneden leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de SKY-gesprekken. Voor zover sprake is van een normschending volstaat het Hof met de constatering daarvan.
De verweren worden verworpen. Het Hof is van oordeel dat de procedure als geheel, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de verschillende onderdelen is overwogen, voldoet aan de eisen van de uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een eerlijk proces.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 maart 2024 op vordering van de officier van justitie toegestane nadere omschrijving tenlastelegging in de zaken met parketnummer 500.00188/23 en de toegestane vordering wijziging tenlastelegging in de zaak met parketnummer 500.00042/24. Van die nadere omschrijving tenlastelegging en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlasteleggingen gelden als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven– op neer dat de verdachte:
500.00042/24
zich in de periode van 23 januari 2020 tot en met 21 februari 2020 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 300 kilo cocaïne (
zaaksdossier SKY[naam verdachte]);
Feit 1 500.00188/23
zich in de periode van 1 februari 2021 tot en met 4 maart 2021 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 350 kilo cocaïne (
zaaksdossier Crow ZD-02);
Feit 2 500.00188/23
in de periode van 24 december 2019 tot en met 4 maart 2021 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (
zaaksdossier SKY [naam verdachte]);
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de (in het geval van cassatie) in een bijlage II bij dit vonnis op te nemen bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
500.00042/24
hij in de periode van 23 januari 2020 tot 21 februari 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960, een hoeveelheid van ongeveer 300.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijndeeen middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960;
Feit 1 500.00188/23
hij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 4 maart 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960, een hoeveelheid van ongeveer 350.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijndeeen middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960;
Feit 2 500.00188/23
hij op meer tijdstippen in de periode van 24 december 2019 tot en met 4 maart 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit bedoeld in artikel 3 eerste Pro lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:
- het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren
van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 3 eerste Pro lid voor te bereiden en/of te bevorderen
en
artikel 4 eerste Pro lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten: het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 4 eerste Pro lid voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich en een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,
hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders:
  • telefoon(s) voorhanden gehad en al dan niet met die telefoon(s) contacten onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt en besprekingen gehad met mededaders over het invoeren en/of uitvoeren van verdovende middelen, en
  • verdovende middelen in een of meer zeecontainer(s) in- en/of uitgeladen, en
  • een of meerdere personen benaderd en/of opdracht gegeven om containerzegels te dupliceren en/of te regelen, en
  • inlichtingen verschaft en/of uitgewisseld met mededader(s) over locaties en/of planning en/of route, en
  • een of meerdere (zee)containers op de juiste positie geplaatst en/of doen plaatsen.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren
Identificatie SKYECC-accounts [account] en [account]
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte ontkent de gebruiker te zijn geweest van het SKY-account [account] dan wel dat hij stelt nimmer gebruik te hebben gemaakt van een cryptofoon. Noch tijdens zijn aanhouding, noch tijdens de huiszoeking, is een cryptofoon aangetroffen, aldus de raadsvrouw.
Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte gebruiker is geweest van het account [account]. In dat verband zijn diverse argumenten naar voren gebracht zoals verwoord in het schriftelijk pleidooi. Zo kan het, aldus de verdediging, goed zijn dat dit account van een andere havenmedewerker is geweest.
De procureur-generaal is, op basis van hetgeen in het requisitoir naar voren is gebracht, van oordeel dat de accounts aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.
Oordeel Hof
Het Hof is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het SKY-account [account]. Redengevend daarvoor is dat zijn stem is herkend in (alle 75) voicenotes afkomstig van het account, en dat er berichten zijn die samenhangen met zijn verjaardag, reisbewegingen en auto, voor welke bevindingen steunbewijs aanwezig is. De verdachte heeft deze concrete bevindingen niet (concreet) betwist. Uit de laatste berichten op dit account valt op te maken dat de gebruiker (de verdachte) wordt aangespoord een nieuwe telefoon / account aan te schaffen. Een van de laatste berichten die de gebruiker van account [account] ontving, was van de gebruiker met account [account].
Ook ten aanzien van SKY-account [account] is het Hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte daarvan de gebruiker was. Een van de eerste contacten van dit account, was met de gebruiker van account 25ZRFC. Uit de berichten, verstuurd vanaf account [account], valt onder meer op te maken dat de gebruiker spreekt over containers, uit container halen, een boot die aankomt. Er is zijn berichten over een reis die in verband kan worden gebracht met een reis die de verdachte heeft gemaakt naar Miami. Daarvoor bevat het dossier ook steunbewijs. Hetzelfde geldt voor een bericht over een ‘ruman’ van zijn ‘peiki’ die is opgesloten in Engeland. Uit onderzoek gebleken dat de broer (ruman) van zijn vriendin (peiki) is aangehouden in Engeland en daar gedetineerd zit (vanwege drugssmokkel). De verdediging heeft gesteld dat de vertaling ‘opgesloten’ niet juist is, er staat immers ‘kai na inglatera’. ‘Kai’ betekent ‘vallen’, aldus de verdediging. In de context van de overige bevindingen van het dossier en hetgeen overigens ambtshalve bekend is, kan naar het oordeel van het Hof ‘vallen’ (of gevallen) in dit geval worden opgevat als ‘opgepakt’ of ‘opgesloten’. Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat de gebruiker van het account [account] in berichten meldt dat hij aan het werk is op momenten dat steeds ook de verdachte aan het werk is in de haven.
Dat er geen SKY ECC-telefoons bij de verdachte zijn aangetroffen of bij doorzoeking zijn gevonden, doet aan het voorgaande niet af. De suggestie van de verdediging dat dit account bij een andere havenmedewerker in gebruik zou zijn geweest, is onvoldoende concreet onderbouwd en acht het Hof ook overigens niet aannemelijk geworden.
SKY [naam verdachte] - uitvoer 300 kilo cocaïne
De verdediging heeft gewezen op enkele ‘gebreken’ in SKY-gesprekken die in vertaling in het dossier zijn opgenomen. Zo worden enkele gesprekken in de verkeerde context geplaatst of ontbreekt een zin of een passage in enkele gesprekken.
Naar het oordeel van het Hof doen de door de verdediging vermelde ‘gebreken’ in de SKY-gesprekken niet af aan het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de export van 300 kilo cocaïne. Ook als het Hof de verdediging volgt, blijkt uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang gelezen - het volgende.
De verdachte ontvangt op 23 januari 2020 berichten van het SKY-account [account] waarin staat dat “we” er 300 gaan doen en hem wordt gevraagd een container te regelen. Vervolgens wisselt de verdachte gesprekken uit met SKY-account [account]. De verdachte legt in een audiofile uit dat hij hem – dat is degene achter SKY-account [account] - 1200 euro per stuk vraagt. Op 24 januari 2020 bericht de verdachte – opnieuw aan SKY-account [account] – dat de container er al is en dat hij die kerel heeft gezegd kleinere tassen te gebruiken. De kerel zei dat het gaat om 14 a 15 zakken. Dus dat is precies goed. De verdachte heeft hem gezegd in elke tas 20 te zetten. Dan is 14 of 15 tassen 300. Op 27 januari 2020 laat de verdachte aan SKY-account [account] weten dat hij – dat is opnieuw degene achter SKY-account [account] – het heeft gehad over driehonderd en als hij meer wil sturen de verdachte moet kijken of dat ding niet te zwaar wordt. Op 28 januari 2020 geeft SKY-account [account] de verdachte opdracht om te beginnen aan het werk aan de zegel. Op 29 januari 2020 bericht de verdachte dat hij het in de nacht van zondag 2 op 3 wil doen. Dit account schrijft op 2 februari 2020 dat de verdachte duidelijke foto’s moet maken van de container en de zegel als zij de deur dicht doen, plus foto’s van de tassen. In vroege ochtend van maandag 3 februari 2020 ontvangt de verdachte van een derde een foto waarop vierkante blokken te zien zijn. Later die ochtend bericht dit contact de verdachte dat de kerels hard gewerkt hebben. Op 5 februari 2020 bericht de verdachte dat hij het afgelopen maandag heeft gedaan, maar het nog niet vertrokken is.
Het Hof oordeelt op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte in overleg met degene achter SKY-account [account] 300 kilo cocaïne – de vierkante blokken op de genoemde foto – heeft laten plaatsen in een container die (naar het Hof begrijpt) moet vertrekken uit Curaçao. Daarmee heeft de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van cocaïne.
Crow ZD 02 – uitvoer 350 kilo cocaïne
Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen SKY-berichten met SKY-account [account] volgt dat de verdachte zegels heeft laten maken en dat hij zich op 2 februari 2021 op de hoogte heeft gesteld van de hoeveelheid tassen die getransporteerd gaan worden. Hieruit kan worden afgeleid dat een transport van verdovende middelen per container zal plaatsvinden. Verder kan worden vastgesteld dat de verdachte die avond dienst had als beveiliger van het haventerrein. Hij stuurt dezelfde avond een bericht aan SKY-account [account] dat hij om 9:30 uur precies wil beginnen. Vervolgens stuurt de verdachte berichten over de te volgen route en benadrukt hij dat de gebruiker van SKY-account [account] het licht uit moet doen. Om 22:18 uur bericht de verdachte dat de auto de spullen heeft gebracht, waarop de verdachte om geld vraagt voor de betaling van de zegels. Vervolgens stuurt SKY-account [account] in een groepschat foto’s van een container, een verbroken zegel, een op de container geplaatst zegel en sporttassen in de container. Hierop is een containernummer gezien waarvan is vastgesteld dat deze op 4 maart 2021 in Rotterdam van boord is gegaan. Dat het om een transport van cocaïne ging volgt reeds uit de hier gevolgde en blijkens het onderzoek Crow veel vaker gebruikte smokkelmethode op de route Curaçao – Rotterdam waarbij de cocaïne in sportassen wordt geplaats achter de deuren van een zeecontainer die van een nieuw zegel zijn voorzien – gemakkelijk bereikbaar voor de uithalers in Rotterdam die op het haventerrein geregeld worden betrapt met sporttassen met cocaïne en niet met andere smokkelwaar.
Het Hof concludeert dat de verdachte tezamen met anderen (ongeveer) 350 kilo cocaïne heeft uitgevoerd uit Curaçao.
Het Hof gebruikt de processen-verbaal van bevindingen ten aanzien van de camerabeelden niet voor het bewijs evenmin als de verklaringen van (destijds) medeverdachte [medeverdachte 1]. De verweren die daarop betrekking hebben blijven verder onbesproken.
Voorbereidingshandelingen
Het Hof overweegt dat geen rechtsregel zich verzet tegen het ten laste leggen van voorbereidingshandeling van – kort gezegd - drugstransporten indien daarnaast concrete drugstransporten in dezelfde ten laste gelegde periode als voltooid delict zijn tenlastegelegd (HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0697). Het standpunt van de verdediging dat uitgaat van een dergelijke rechtsregel wordt verworpen. Bij de strafoplegging zal het Hof ermee rekening houden dat deze delicten – de transporten van 300 en 350 kilo enerzijds en de voorbereidingshandelingen daartoe anderzijds - in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte vanaf 3 januari 2020 berichten uitwisselt met de gebruiker van het SKY-account [account] over het uithalen van ‘groen’ en ‘steen’ en de prijs die de verdachte daarvoor rekent, nl. $110 voor groen en $ 300 voor ‘stenen’. De gebruiker van het SKY-account [account] bevestigt dan: “witte stenen uit Colombia is $300 voor het uithalen en voor gewas $100”. De verdachte spreekt vervolgens op dezelfde dag over het uithalen van wiet en later ook over het sturen van stenen naar Jamaica. Ook nadien correspondeert de verdachte over het vervoer van ‘stenen’ vanuit de haven van Curaçao naar Jamaica. Verder informeert de verdachte bij de gebruiker van het SKY-account [account] naar de kosten van 15 ‘stenen’ die hij zelf naar Nederland wil sturen ‘om te groeien’. In de tenlastegelegde periode vinden de twee hiervoor besproken transporten van 300 en 350 kilo plaats. Ook in de aanloop naar het transport van 300 kilo werd over ‘stenen’ gesproken. Het Hof heeft de betrokkenheid van de verdachte bij die transporten vastgesteld en overwogen dat er een foto van vierkante blokken aan de verdachte is verstuurd. Uit de gesprekken in onderling verband en samenhang gelezen volgt dat de verdachte berichten uitwisselde over ‘groen’ of ‘gewas’ waarmee hennep werd bedoeld en over ‘stenen’ die voor cocaïne stonden.
Dat de verdachte met ‘stenen’ doelt op blokken cocaïne leidt het Hof voorts af uit berichten die hij vanaf zijn account [account] op 22 mei 2020 verstuurt. Eerst stuurt hij een afbeelding met een persbericht betreffende de inbeslagname van een partij cocaïne in de Rotterdamse haven. Op de foto zijn in blokken verpakte pakketten te zien. Vervolgens stuurt de verdachte berichten waarin hij spreekt over ‘container met stenen’. De bewezenverklaarde periode eindigt op 4 maart 2021, de dag waarop de container waarin zich 350 kilo cocaïne bevindt in Rotterdam van boord gaat. De verdachte heeft voorbereidingshandelingen daartoe gepleegd. Uit de gewisselde berichten blijkt dat de verdachte de voorbereidingshandelingen in nauwe en bewuste samenwerking van anderen heeft gepleegd.
Het Hof zal ook dit feit bewezen verklaren.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder de tenlastelegging met parketnummer 500.00042/24 en het onder 1 van de tenlastelegging met parketnummer 500.00188/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en/of d en/of e en A en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, meermalen gepleegd.
Het op de tenlastelegging met parketnummer 500.00188/23 onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D, 3a, eerste lid, onderdeel A, B of D, voor zover opzettelijk gepleegd, of artikel 4, eerste lid, onderdeel A, voor zover opzettelijk gepleegd, van de Opiumlandsverordening 1960, door zich of een ander gelegenheid, middelen, of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Ook heeft het Hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor drugsbezit tot 25 kilo als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden gegeven. Voor de hoeveelheden als in de zaak van de verdachte bewezen verklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Het gaat hier (meermalen) om de uitvoer van honderden kilo’s in georganiseerd verband.
Het Hof neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.
De verdachte heeft samen met anderen opzettelijk in twee transporten in een container in totaal 650 kilo cocaïne uit Curaçao uitgevoerd. Daarnaast heeft hij met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd voor grootschalige handel (met name export) in verdovende middelen. Dergelijke hoeveelheden zijn van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheden bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft hiermee een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen.
De verdachte heeft in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie als medewerker in de containerhaven. Door zijn handelen heeft de verdachte daardoor het vertrouwen geschaad dat het havenbedrijf in zijn medewerkers pleegt te (mogen) hebben. Uit het onderzoek is voorts aannemelijk geworden dat de verdachte zich heeft laten betalen voor zijn (organiserend) aandeel in de drugssmokkel. Het Hof weegt deze omstandigheden in verzwarende zin mee bij de straftoemeting.
Zoals is overwogen heeft het Hof ermee rekening houden dat deze delicten – de transporten van 300 en 350 kilo enerzijds en de voorbereidingshandelingen daartoe anderzijds – (deels) in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft tot slot acht geslagen op hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. De verdediging heeft benadrukt dat [naam verdachte] first offender is, dat hij financiële verplichtingen heeft die blijven doorlopen en dat zijn gezin door zijn detentie onder grote druk staat, waarbij vooral zijn studerende dochter zwaar wordt belast. Het Hof heeft begrip voor deze omstandigheden. De detentie is evenwel een direct gevolg van de door het Hof bewezenverklaarde ernstige strafbare feiten waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt. De gevolgen daarvan komen dan ook geheel voor zijn rekening.
De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de in eerste aanleg opgelegde straf te hoog is in vergelijking met straffen elders binnen het Koninkrijk, waarbij zij ter vergelijking enkele Nederlandse strafzaken heeft genoemd. Het Hof overweegt hieromtrent dat de geldende maatstaven dienaangaande in Curaçao anders zijn dan in Nederland, hetgeen ook blijkt uit de verschillen in de wettelijke strafmaxima van dezelfde delicten. Het Hof laat de genoemde Nederlandse voorbeelden derhalve buiten beschouwing, maar slaat – zoals hiervoor reeds is overwogen – wel acht op de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter in Curaçao worden opgelegd.
Het Hof is na afweging van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van negen jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 van Pro het Wetboek van Strafrecht zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 500.00042/24 ten laste gelegde feit en de onder 1 en 2 van parketnummer 500.00188/23 ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
9 (negen) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter,
mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse en mr. M.T. Maas, (zittings)griffiers, en op 18 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mrs. Thierry en Maas zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Algemeen dossier rechtshulp Crow, p. FR 17-49.
2.Zaaksdossier SKY [naam verdachte] R5 93-97.
3.Zaaksdossier SKY [naam verdachte] R1-02.
4.Zaaksdossier SKY [naam verdachte] R5-189.
5.Zaaksdossier SKY [naam verdachte] R5 183-184.