Appellant verzocht op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob) om openbaarmaking van documenten, waarna bezwaar en beroep volgden tegen afwijzing en fictieve afwijzing. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,5 toe. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze wegingsfactor.
Het Hof oordeelde dat het Gerecht ten onrechte de zaak als 'licht' had aangemerkt en daardoor een te lage wegingsfactor toepaste. De zaak betrof de zorgvuldigheid en motivering van een bestuursbesluit, wat niet als licht kon worden beschouwd. Daarom werd de wegingsfactor verhoogd naar 1, met een aangepaste puntentoekenning.
Het Hof vernietigde het vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en stelde een hogere vergoeding vast van Afl. 2.100, inclusief vergoeding van het griffierecht van Afl. 75. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze kosten aan appellant.