De oud-notaris werd in eerste aanleg veroordeeld wegens verduistering van geldbedragen die hij als ambtenaar onder zich had en het plegen van gewoontewitwassen. De straf bestond uit een gevangenisstraf van achttien maanden en een ontzetting uit het notarisambt voor vijf jaar.
In hoger beroep vernietigde het Hof het eerdere strafvonnis, maar verklaarde de oud-notaris alsnog schuldig aan verduistering en gewoontewitwassen. Het Hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van drie jaar, een werkstraf van tweehonderd uur en een ontzetting uit het notarisambt voor vijf jaar.
Het Hof als tuchtrechter sloot zich aan bij het strafrechtelijk oordeel en verklaarde de klacht gegrond. Gezien de ernst van het handelen, waarbij het vertrouwen in het notariaat ernstig werd geschaad, werd de zwaarste tuchtrechtelijke maatregel opgelegd: ontzetting uit het ambt. De oud-notaris had geen verontschuldigingen die zijn handelen konden rechtvaardigen.