ECLI:NL:OGHACMB:2026:1

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00090
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure

Appellant was geconfronteerd met een uitzettingsbevel van de minister van Justitie en Sociale Zaken, met een niet-toelatingsperiode van 42 maanden. Na bezwaar en beroep bij het Gerecht werd het beroep gegrond verklaard, maar het Gerecht besloot niet op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep klaagt appellant over het nalaten van het Gerecht om op dit verzoek te beslissen. Het Hof oordeelt dat het verzoek in hoger beroep alsnog kan worden behandeld, ook al was het verzoek niet voorafgaand aan de minister kenbaar gemaakt. De minister had immers ter zitting kunnen reageren.

Het Hof stelt vast dat de bezwaar- en beroepsprocedure samen vijf jaar en vijf maanden duurden, waarbij de bezwaarprocedure bijna vier jaar in beslag nam. Dit overschrijdt de redelijke termijn ruimschoots, en de overschrijding is volledig aan de minister toe te rekenen.

Op basis van een forfaitair tarief van Afl. 500 per half jaar overschrijding, komt het Hof tot een schadevergoeding van Afl. 3.500, maar kent slechts het door appellant gevraagde bedrag van Afl. 1.500 toe. Daarnaast veroordeelt het Hof de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het niet besliste over de schadevergoeding, en de minister wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding en kosten.

Uitkomst: Het Hof kent appellant een immateriële schadevergoeding van Afl. 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

AUA2025H00090
Datum uitspraak: 7 januari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303992, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 10 november 2019 heeft de minister de uitzetting van appellant bevolen en daarbij vermeld dat aan hem een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 42 maanden (hierna: het uitzettingsbevel).
Bij beschikking van 14 november 2023 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 14 november 2023 vernietigd en de minister opgedragen om binnen drie maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.

Overwegingen

Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van Pro het EVRM. Hij verzoekt het Hof hem alsnog schadevergoeding toe te kennen.
De minister brengt daar in zijn verweerschrift tegenin dat appellant het verzoek om schadevergoeding pas in zijn pleitnota bij het Gerecht heeft aangevoerd en dat hij die pleitnota niet naar de minister heeft verzonden, wat in strijd is met de goede procesorde en waardoor het terecht buiten beschouwing is gelaten.
Voor de beoordeling van de onder 1 weergegeven hogerberoepsgrond zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Het Gerecht heeft het op 16 november 2023 ingestelde beroep ter zitting behandeld op 8 mei 2024. Uit de uitspraak van het Gerecht van 23 april 2025 volgt dat appellant ter zitting is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde; de minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Ter zitting is namens appellant een pleitnota overgelegd waarin is opgenomen een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerecht heeft in de uitspraak van 23 april 2025 niet op dit verzoek beslist.
In hoger beroep verzoekt appellant om vergoeding van immateriële schade ter hoogte van Afl. 1.500,- voor overschrijding van de redelijke termijn in twee instanties. Het Hof vat het verzoek aldus op dat het betreft vergoeding van immateriële schade beweerdelijk geleden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure en de procedure bij het Gerecht.
Anders dan de minister heeft betoogd kan in hoger beroep worden geklaagd over het feit dat het Gerecht heeft nagelaten te beslissen op een verzoek tot schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dit is niet anders als de pleitnota van appellant waarin dat verzoek is opgenomen niet op voorhand aan de minister is gezonden. De minister had van de pleitnota en het verzoek kennis kunnen nemen door ter zitting te verschijnen. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.
In zijn uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64, onder 1.2, heeft het Hof overwogen dat de redelijke termijn voor een procedure in zaken waarin sprake is van bezwaar, beroep en hoger beroep in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar, terwijl doorgaans de behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel niet te lang is, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Voor de vaststelling van de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn gaat het Hof uit van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Voor de bepaling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden en, zo ja, met welke duur en aan wie de eventuele overschrijding moet worden toegerekend, is van belang dat de minister op 10 november 2019 het uitzettingsbevel heeft uitgevaardigd en dat appellant daartegen bezwaar heeft gemaakt op 8 december 2019. De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij beschikking van 14 november 2023. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij het Gerecht op 16 november 2023. Het Gerecht heeft uitspraak gedaan op 23 april 2025.
Uit het voorgaande volgt dat de bezwaarprocedure drie jaar en bijna elf maanden heeft geduurd. De beroepsprocedure bij het Gerecht heeft een jaar en ruim vijf maanden geduurd, dus korter dan anderhalf jaar. De gehele procedure van bezwaar en beroep heeft daarmee vijf jaar en vijf maanden geduurd. Dat betekent dat de maximaal redelijke termijn is overschreden met drie jaar en vijf maanden.
Deze overschrijding is geheel toe te rekenen aan de minister, omdat het Gerecht binnen de geldende maximaal redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar op het beroep uitspraak heeft gedaan. Uitgaande van een forfaitair tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, had appellant aanspraak kunnen maken op een bedrag aan immateriële schadevergoeding van Afl. 3.500,-. Omdat het verzoek van appellant uitdrukkelijk is beperkt tot Afl. 1.500,- zal het Hof het verzoek tot dat bedrag toewijzen.
Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd, voor zover het Gerecht heeft nagelaten de minister te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De minister moet de proceskosten van appellant in hoger beroep vergoeden tot een bedrag van Afl. 350,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een wegingsfactor van 0,5).
Het Hof stelt vast dat de procedure over het uitzettingsbevel nog niet ten einde is. Indien in een later stadium door appellant nogmaals wordt verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, dient rekening te worden gehouden met de vergoeding die in deze uitspraak al is toegekend.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303992, voor zover het Gerecht heeft nagelaten de minister van Justitie en Sociale Zaken te veroordelen om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen;
veroordeeltde minister van Justitie en Sociale Zaken om aan appellant een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van Afl. 1.500,-;
veroordeeltde minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.