ECLI:NL:OGHACMB:2026:168

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
CUR2025H00173
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1615w BWArt. 1 CAOArt. 19 lid 4 CAOArt. 22 CAOArt. 26 CAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over exclusieve werking ontbindingsvergoeding en loonindexering na ontbinding arbeidsovereenkomst

De werknemer was sinds 1991 in dienst van Vehia en werd ontslagen in het kader van de herstructurering van het Ennia-concern. Het Gerecht ontbond de arbeidsovereenkomst en kende een ontbindingsvergoeding toe, waarbij de meeste tegenvorderingen van de werknemer werden afgewezen. In hoger beroep stond centraal of deze vorderingen al waren meegenomen bij de vaststelling van de vergoeding en of zij alsnog konden worden beoordeeld.

Het Hof oordeelde dat de ontbindingsvergoeding exclusief werkt voor aanspraken die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, conform de Baijings-leer. Alleen de vordering tot loonindexering, die een verworven recht betreft uit de dienstbetrekking, werd opnieuw beoordeeld en toegewezen. De overige vorderingen, zoals UKP-rechten, pensioenaffinanciering en gemiste jubileumbonussen, werden als rechtstreeks gevolg van de beëindiging gezien en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De loonindexering werd toegekend met een matiging van de wettelijke verhoging tot 15%, met rente vanaf 25 april 2025. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het Hof vernietigde het bestreden vonnis slechts voor zover de loonindexering was afgewezen en bevestigde het verder.

Uitkomst: Het Hof wijst de loonindexering toe en verklaart overige vorderingen niet-ontvankelijk in hoger beroep.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202500911 – CUR2025H00173
Uitspraak: 16 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[appellantl,
wonend in [woonplaats],
appellant,
in hoger beroep procederende zonder gemachtigde,
tegen
de naamloze vennootschap
VEHIA N.V.,
gevestigd in Curaçao,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. K.D. Keizer.
Partijen worden hierna de werknemer en Vehia genoemd.

1.De zaak in het kort

Het Gerecht heeft op verzoek van Vehia de arbeidsovereenkomst ontbonden met toekenning van een ontbindingsvergoeding en afwijzing van het merendeel van de tegenvorderingen van de werknemer. In hoger beroep moet het Hof allereerst beoordelen of de door de werknemer in hoger beroep gehandhaafde (tegen)vorderingen zijn meegenomen door het Gerecht bij het bepalen van de hoogte van de ontbindingsvergoeding. Het Hof komt tot het oordeel dat het Gerecht met die vorderingen rekening heeft gehouden. Dat geldt alleen niet voor een vordering tot indexering van loon. Het Hof beoordeelt die vordering opnieuw en wijst die toe.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het Hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een beroepschrift (met producties) van 30 juni 2025, waarmee de werknemer in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gegeven en op 27 mei 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) en zijn verzoek heeft vermeerderd;
- een aanvullende akte/wijziging van eis van 30 juli 2025 van de werknemer;
- een verweerschrift van 28 januari 2026 van Vehia;
- mailberichten van de werknemer van 29 januari 2026 met producties.
2.2
Op 3 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. Verschenen zijn de werknemer, bijgestaan door [persoon 1] en namens Vehia [persoon 2], proxyholder, bijgestaan door mr. Keizer. Namens de werknemer is een pleitnota ingediend met daaraan gehecht een aantal producties. Aan het einde van de zitting is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om hen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te treffen. Partijen hebben het Hof nadien laten weten geen regeling te hebben bereikt.
2.3
Beschikking is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
De werknemer (geboren op [geboortedatum] 1968, nu 58 jaar oud), is sinds 1 oktober 1991 in dienst van de rechtsvoorgangster van Vehia, op het laatst als Chief Operations Officer, tegen een brutoloon van Cg 28.048 per maand, exclusief emolumenten.
3.2
Het voormalige Ennia-concern voerde een verzekeringsbedrijf en bestond uit Ennia Caribe Holding N.V. (ECH) als holdingmaatschappij aan de top, met daaronder drie verzekeraars als dochterondernemingen. Het concern is in juli 2018 wegens financiële problemen onder een noodregeling gebracht (op grond van de Landsverordening toezicht verzekeraars). Sinds die tijd oefent de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) alle bevoegdheden uit van de bestuurders en commissarissen van het concern.
3.3
CBCS en de regeringen van de landen Curaçao en Sint Maarten hebben besloten om over te gaan tot herstructurering en uiteindelijk afwikkeling van het Ennia-concern, met als primaire doel het veiligstellen van de pensioenen van afgerond 30.000 polishouders en pensioengerechtigden in Curaçao en Sint Maarten. Deze herstructurering met financiering van de verzekeringsverplichtingen van het concern is mogelijk gemaakt doordat de landen Curaçao en Sint Maarten, evenals de CBCS, daarvoor aanzienlijke leningen hebben verstrekt in het kader van een Hoofdlijnenakkoord Resolutie Ennia (hierna: HLA).
3.4
In het kader van deze herstructurering zijn de verzekeringsactiviteiten die voorheen werden uitgevoerd door ECH sinds 1 januari 2025 volledig gestaakt en is het bedrijf in afgeslankte vorm (hierna: Ennia Nieuw) overgedragen aan een nieuwe aandeelhouder. Het voormalige ECH heet nu Vehia.
3.5
Alle voormalige werknemers van ECH, ook de werknemer in deze zaak, zijn uitgenodigd te solliciteren bij Ennia Nieuw en het merendeel van hen is daar aangenomen. Werknemers die niet in dienst traden bij Ennia Nieuw, onder wie de werknemer in deze zaak, zijn vanaf 1 januari 2025 vrijgesteld van werk en hebben een aanbod gekregen voor een beëindigingsovereenkomst. Dat aanbod is gebaseerd op een door ECH opgesteld protocol (hierna: het Protocol), dat is besproken met de betrokken vakbond (maar niet door de vakbond is ondertekend). In dit Protocol is onderscheid gemaakt tussen drie categorieën werknemers, waaronder de categorie van werknemers die geen baan bij Ennia Nieuw aangeboden hebben gekregen. Aan die werknemers is een aanbod gedaan voor een beëindigingsvergoeding, waarbij rekening is gehouden met het aantal werknemers aan wie die vergoeding zou moeten worden betaald, hun leeftijd en het aantal dienstjaren.
3.6
Na intensieve onderhandelingen met ECH/Vehia heeft de werknemer het aan hem gedane finale aanbod voor de beëindigingsvergoeding niet aanvaard.

4.De procedure bij het Gerecht

4.1
Vehia heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden en daarbij aan hem, rekening houdend met de financiële situatie van Vehia, een vergoeding toe te kennen van maximaal de cessantia (op grond van de Landsverordening Cessantia).
4.2
De werknemer heeft geen verweer gevoerd tegen het ontbindingsverzoek, maar heeft wel verzocht om een ruimere vergoeding dan Vehia heeft aangeboden. Als zelfstandig tegenverzoek heeft de werknemer het Gerecht verzocht:
a. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden onder
toekenning van een vergoeding van Cg 2.476.292,76;
b. Vehia te veroordelen tot betaling van de indexering over het loon van januari 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%;
c. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 444.587,- uit hoofde van opgebouwde UKP rechten;
d. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 439.049 voor de affinanciering van het pensioen;
e. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 35.457,- wegens niet genoten vakantiedagen;
f. Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 263.720,- wegens gemiste toekomstige jubileumbonussen;
vermeerderd met de wettelijke rente over al deze bedragen vanaf 25 april 2025 en met veroordeling van Vehia in de proceskosten, met rente.
4.3
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht (voor het geval dat Vehia het ontbindingsverzoek niet intrekt) het verzoek tot ontbinding toegewezen, met toekenning van een vergoeding van Cg 470.000 (waarop een eventuele cessantia-uitkering in mindering komt). Het Gerecht heeft Vehia daarnaast veroordeeld tot uitbetaling van de tegenwaarde van 13 niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke verhoging. De overige tegenverzoeken van de werknemer (b, c, d en f) zijn afgewezen.

5.De beoordeling

wat ligt voor in hoger beroep
5.1
Tegen een beslissing tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst staat geen hoger beroep open (dit bepaalt artikel 7A1615w lid 8 BW). In zijn beroepschrift richt de werknemer zijn bezwaren ook niet tegen de verzochte ontbinding of tegen de hoogte van de toegewezen ontbindingsvergoeding maar wel tegen de afwijzing van de vorderingen inzake indexering (vordering b), UKP-rechten (vordering c), affinanciering pensioen (vordering d) en gemiste jubileumbonussen (vordering f).
5.2
Vehia heeft gewezen op het appelverbod en heeft aangevoerd dat alle door de werknemer ingestelde vorderingen rechtstreeks gekoppeld zijn aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en als zodanig ook meegenomen zijn door het Gerecht bij het bepalen van de hoogte van de ontbindingsvergoeding. In hoger beroep is voor beoordeling daarvan geen plaats meer en de werknemer moet om die reden niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn hoger beroep, aldus Vehia.
juridisch kader ontvankelijkheid
5.3
Indien de rechter bij toewijzing van een ontbindingsverzoek wegens verandering van omstandigheden een vergoeding naar billijkheid toekent (op grond van artikel 7A:1615w lid 5 BW) dan dient het resultaat van die toetsing in beginsel ten volle tot uitdrukking te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter toekent (vaste rechtspraak van de Hoge Raad vanaf HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905 de zogenoemde Baijings-leer). Dat betekent dat er in beginsel geen plaats is voor een hernieuwde toetsing aan de redelijkheid en billijkheid of goed werkgeverschap in hoger beroep of in een andere procedure. De door de ontbindingsrechter vastgestelde vergoeding heeft daarmee in beginsel exclusieve werking. De ratio hiervan is te voorkomen dat het appelverbod wordt ondermijnd, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever om de ontbindingsprocedure snel en effectief te houden.
5.4
In latere rechtspraak van de Hoge Raad is de Baijings-leer verfijnd. Het Hof geeft deze rechtspraak samengevat weer als volgt. De regel dat een ontbindingsvergoeding exclusieve werking heeft ziet veelal op aanspraken die zijn gegrond op hetgeen de redelijkheid en billijkheid of de eisen van goed werkgeverschap meebrengen in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daaronder valt bijvoorbeeld niet een vordering tot nakoming van een contractuele afvloeiingsregeling (HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1939 inzake Drankencentrale Waterland), van een wachtgeldregeling uit een CAO (HR 25 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004: AP4365) of van een beëindigingsovereenkomst in een sociaal plan (HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4062). De regel dat een ontbindingsvergoeding exclusieve werking heeft geldt ook niet voor aanspraken van een werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking, die zien op de periode voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst en geen verband houden met de wijze van beëindiging of de gevolgen van die beëindiging (bijvoorbeeld een aanspraak op achterstallig loon, zie HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7358).
oordeel Hof
5.5
Het Hof zal hierna per vordering bespreken of dit ontvankelijkheidsverweer opgaat of dat de vorderingen inhoudelijk beoordeeld moeten worden.
indexering (vordering b)
5.6
Het Gerecht heeft geoordeeld (in 4.11) dat artikel 22 van Pro de geldende CAO in de weg staat aan indexering van het loon van de werknemer over de maanden januari tot en met mei 2025. Werknemers hebben immers volgens dat artikel alleen recht op indexering van hun loon bij positieve financiële resultaten van de werkgever. Dat is niet het geval, nu vast staat dat het eigen vermogen van Vehia ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zwaar negatief was (zie 2.10).
5.7
Indien het zo is dat Vehia in het verleden jarenlang wel een indexering heeft toegepast op de lonen van haar werknemers (zoals de werknemer aanvoert) kan het echter zo zijn dat Vehia daartoe in deze situatie ook verplicht is, omdat sprake is van een verworven recht.
5.8
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, FNV/Pontmeyer) overwogen dat het voor de beantwoording van de vraag of uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een verworven recht in de vorm van een aanvullende arbeidsvoorwaarde, aankomt op de zin die partijen aan elkaars gedragingen en verklaringen hebben toegekend en daaraan redelijkerwijze mochten toekennen. De Hoge Raad heeft daarbij betekenis toegekend aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.
5.9
De werknemer heeft aangevoerd dat Vehia sinds 2019 ook bij negatieve financiële resultaten in afwijking van de CAO de lonen heeft geïndexeerd, terwijl niet aan de werknemers is meegedeeld dat het hierbij om een uitzondering ging. Vehia heeft onvoldoende betwist dat de lonen vanaf 2019 steeds geïndexeerd zijn. Vehia heeft in haar verweerschrift in hoger beroep slechts aangevoerd dat “van een bestendige, onvoorwaardelijke aanspraak op loonindexering geen sprake is”. Dit vormt naar het oordeel van het Hof een onvoldoende betwisting van de stellingen van de werknemer dat een indexering gedurende zes jaar (vanaf 2019, toen de noodregeling voor het Ennia-concern al gold) als voldoende bestendig kan worden aangemerkt. De werknemer mocht op grond hiervan de verwachting hebben dat ook zijn loon over 2025 zou worden geïndexeerd, Dat de werknemer in 2025 gelet op de overdracht van de activiteiten aan Ennia Nieuw geen werkzaamheden meer heeft verricht voor Vehia doet niet af aan zijn verworven recht op indexering.
5.1
Dit betekent ook dat het ontvankelijkheidsverweer van Vehia inzake deze vordering niet opgaat. Het betreft hier immers een aanspraak van de werknemer die is ontstaan tijdens zijn dienstbetrekking uit achterstallig loon, die geen verband houdt met de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de gevolgen daarvan.
5.11
De vordering van de werknemer tot indexering van zijn loon over de periode 1 januari 2025 tot 4 juni 2025 zal daarom worden toegewezen. Het Hof ziet aanleiding de daarover gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot het gebruikelijke percentage, 15%. De wettelijke rente hierover zal als onweersproken worden toegewezen vanaf 25 april 2025 (de datum van indiening van het verweerschrift in eerste aanleg).
UKP-rechten (vordering c)
stellingen van partijen over het karakter van de UKP-rechten
5.12
De werknemer heeft aangevoerd dat hij sinds zijn indiensttreding bij Vehia een bedrag heeft ingelegd in een fonds. Uit dat fonds werden betalingen gedaan waardoor gepensioneerde werknemers bij Vehia na hun pensioen een korting (van 75%) behielden op de door hen te betalen premie voor hun ziektekostenverzekering. De werknemer stelt dat hij 34 jaar lang deze bijdrage heeft betaald, die op zijn loonstroken werd vermeld als “UKP pensioen” (hierna: UKP-opslag). Door de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst raakt hij de rechten gebaseerd op de betaling van die opslag kwijt en moet hij de volledige premie voor zijn ziektekostenverzekering betalen. Hij vordert daarom primair (zo begrijpt het Hof) dat Vehia hem een bedrag betaalt gelijk aan de contante waarde van het totale bedrag dat hij in de loop van de jaren heeft ingelegd. Subsidiair vordert de werknemer om Vehia te veroordelen tot toekenning van een evenredige personeelskorting op de premie voor zijn ziektekostenverzekering (naar rato van het aantal van zijn dienstjaren) en meer subsidiair tot terugbetaling van de door haar geïnde UKP-opslag (vermeerderd met de wettelijke verhoging).
5.13
Vehia heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat er een collectieve ziektekostenverzekering bestaat (UKP - Uitgebreide Klassepolis) voor werknemers van Vehia, waarvan de voorwaarden beschreven zijn in bijlage 5 bij de geldende CAO en die een lagere premie kent dan de reguliere premie voor een vergelijkbare verzekering. Naast de reguliere premie die de werknemers betalen voor de dekking van hun ziektekosten betalen zij een kleine UKP-opslag (eerst was dat Cg 5 en daarna Cg 15 per maand). Met de betaling van die UKP-opslagen is een solidariteitsfonds gevormd met als doel dat werknemers van Vehia die met pensioen gaan die lagere premie kunnen blijven betalen. De UKP-regeling moet volgens Vehia gekwalificeerd worden als een arbeidsvoorwaarde die alleen geldt tijdens het dienstverband en niet als een individuele verzekering die voortduurt na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
5.14
De werknemer heeft tijdens de zitting verklaard dat er bij zijn indiensttreding (in 1991) een collectieve ziektekostenverzekering was met een instappremie, die gelijk bleef (als je jong in dienst trad behield je een lage premie tot je overlijden). De werknemer merkte dat naast de premie voor ziektekosten een UKP-opslag werd ingehouden. Bij navraag werd hem uitgelegd dat zijn inleg werd gestort in een fonds. Uit dat fonds werden betalingen gedaan aan werknemers van Vehia die met pensioen gingen om te zorgen dat zij hun (lage) ziektekostenpremie konden behouden. In 2008 is het systeem van de collectieve ziektekostenverzekering veranderd. Alle werknemers moesten een leeftijdsgebonden hogere premie betalen voor hun ziektekostenverzekering, maar er werd een voorziening getroffen voor werknemers die voor 2008 in dienst waren getreden. De werknemer behield daarmee zijn lage premie (25% van de reguliere premie).
uitleg bijlage 5 CAO en oordeel Hof
5.15
De werknemer heeft een Collectieve Arbeidsovereenkomst overgelegd, gesloten op 1 januari 2016 tussen Ennia Caribe Holding NV (in de CAO aangeduid als de werkgever) enerzijds en een vakbond van verzekeringsmedewerkers (Sindikato di Trahadornan den Seguro) anderzijds. De werknemer heeft gesteld dat dit de nog steeds geldende CAO is en Vehia heeft dit niet weersproken, zodat het Hof daar ook van uitgaat.
5.16
In de CAO (artikel 1) wordt een werknemer (voor zover van belang voor deze zaak) gedefinieerd als ieder personeelslid in dienst van de werkgever. In de CAO zelf wordt geen melding gemaakt van een collectieve ziektekostenverzekering, maar dat gebeurt wel in bijlage 5 van de CAO (hierna: bijlage 5) met als opschrift “Collectieve Ziektekostenverzekering (…)”. Op grond van artikel 26 van Pro de CAO behoren bij de CAO veertien bijlagen waarin regelingen zijn opgenomen, waaronder bijlage 5. Bijlage 5 luidt onder meer als volgt:
“ Voor de werknemer geldt de voorwaarden opgenomen in Zorg Select Variant Collectief.
a Verzekerden
Alle werknemers in de zin der C.A.O., hun echtgenoot/echtgenote of concubine en kinderen.
Alle werknemers die na 1 januari 1991 de dienst verlaten in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, alsmede hun echtgenoot/echtgenote of concubine en kinderen.
(…)
c Premieverdeling
(…) De premie vaststelling op basis van leeftijdsgebonden tarief is van toepassing op de werknemers die vanaf 1 januari 2008 in dienst zijn getreden. (…)
Per gezin geldt een maandelijkse opslag van Ang. 5,00. Deze opslag per werknemer per maand is opgenomen ter dekking van de werknemer in de ziektekostenregeling voor gepensioneerden. (…)” .
5.17
Over deze collectieve ziektekostenverzekering (Zorg Select Variant Collectief) hebben partijen geen stukken overgelegd. Volgens Vehia is er geen polis van deze verzekering voorhanden. Dat betekent dat het Hof met name op basis van de tekst van bijlage 5 de vordering van de werknemer moet beoordelen en deze tekst zal moeten uitleggen.
5.18
De CAO (en daarmee ook bijlage 5, die onderdeel van deze CAO is) moet worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622, 3.1.2).
5.19
De CAO geldt op grond van artikel 1 voor Pro werknemers (en hun gezinnen) die in dienst zijn van Ennia/Vehia. Volgens de definitie van verzekerden (in sub a van bijlage 5) zijn verzekerd onder de collectieve ziektekostenverzekering de werknemers in dienst van Vehia, maar ook de werknemers (en hun gezinnen) die de dienst hebben verlaten om met pensioen te gaan. De werknemer in deze zaak valt daar volgens de letterlijke tekst van sub a niet onder, nu hij de dienst heeft moeten verlaten vanwege een andere reden (ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter wegens veranderde omstandigheden). Voor deze vordering gaat het ontvankelijkheidsverweer van Vehia op. Dat de werknemer geen aanspraak meer kan maken op een bijdrage uit dit solidariteitsfonds (waar hij vanaf het einde van zijn dienstverband ook niet meer aan bijdraagt) is immers een rechtstreeks gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is door het Gerecht, naar moet worden aangenomen, rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding.
5.2
Dit betekent dat de werknemer inzake deze vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.
Affinanciering pensioen (vordering d)
5.21
De werknemer heeft in hoger beroep (na wijziging van eis) gevorderd Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 439.049 tot affinanciering van zijn pensioen dan wel Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 321.160 (bruto) als compensatie wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.22
Ook voor deze vordering gaat het ontvankelijkheidsverweer van Vehia op. De vordering betreft immers een compensatie van het pensioengat dat ontstaat doordat de werknemer geen pensioen meer kan opbouwen vanaf de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot aan het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd. Dit is een rechtstreeks gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en ook daarmee is door het Gerecht, naar moet worden aangenomen, rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding.
5.23
De werknemer is inzake deze vordering niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
gemiste jubileumbonussen (vordering f)
5.24
De werknemer heeft gevorderd Vehia te veroordelen tot betaling van Cg 263.720 aan gemiste toekomstige jubileumbonussen, dan wel om Vehia te veroordelen tot (pro rata) betaling van de aan de werknemer toekomende jubileumbonussen bij 35, 40 en 45 dienstjaren.
5.25
Deze vordering is gebaseerd op artikel 19 lid 4 CAO Pro, die aan werknemers van Vehia bij het bereiken van deze jubilea gratificaties toekent. Dit artikel is echter alleen van toepassing op werknemers die op het moment van het bereiken van deze jubilea in dienst zijn bij de werkgever. Het feit dat deze werknemer zijn 35-jarig ambtsjubileum niet heeft bereikt is een rechtstreeks gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en daarmee is door het Gerecht, naar moet worden aangenomen, rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding.
5.26
Dat betekent dat de werknemer ook inzake deze vordering niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
slotsom
5.27
Vordering b van de werknemer zal alsnog worden toegewezen, zoals hiervoor overwogen en de beschikking waarvan beroep zal alleen in zoverre worden vernietigd. De werknemer zal inzake de overige vorderingen (c, d en f) niet ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.
5.28
Het Gerecht heeft gelet op de uitkomst van de procedure de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het Hof is het daarmee eens en zal hetzelfde beslissen over de proceskosten in hoger beroep, nu ook voor het hoger beroep geldt dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verklaart de werknemer inzake de vorderingen c, d en f niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover dit voorligt en voor zover daarbij vordering b van de werknemer (inzake indexering) is afgewezen, waarbij de beschikking voor het overige wordt bevestigd;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Vehia tot betaling van een indexering van 2,26% over het loon van de werknemer in de periode 1 januari 2025 tot 4 juni 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging daarover van 15% en vermeerderd met de wettelijke rente over het totaal van indexering en wettelijke verhoging vanaf 25 april 2025 tot aan de algehele voldoening;
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.