Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het verloop van de procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De procedure bij het Gerecht
toekenning van een vergoeding van Cg 2.476.292,76;
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De werknemer was sinds 1991 in dienst van Vehia en werd ontslagen in het kader van de herstructurering van het Ennia-concern. Het Gerecht ontbond de arbeidsovereenkomst en kende een ontbindingsvergoeding toe, waarbij de meeste tegenvorderingen van de werknemer werden afgewezen. In hoger beroep stond centraal of deze vorderingen al waren meegenomen bij de vaststelling van de vergoeding en of zij alsnog konden worden beoordeeld.
Het Hof oordeelde dat de ontbindingsvergoeding exclusief werkt voor aanspraken die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, conform de Baijings-leer. Alleen de vordering tot loonindexering, die een verworven recht betreft uit de dienstbetrekking, werd opnieuw beoordeeld en toegewezen. De overige vorderingen, zoals UKP-rechten, pensioenaffinanciering en gemiste jubileumbonussen, werden als rechtstreeks gevolg van de beëindiging gezien en daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De loonindexering werd toegekend met een matiging van de wettelijke verhoging tot 15%, met rente vanaf 25 april 2025. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het Hof vernietigde het bestreden vonnis slechts voor zover de loonindexering was afgewezen en bevestigde het verder.
Uitkomst: Het Hof wijst de loonindexering toe en verklaart overige vorderingen niet-ontvankelijk in hoger beroep.