ECLI:NL:OGHACMB:2026:20

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
EJ2025/8/SXM202600030
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Lv GGZArt. 17 Lv GGZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging tot voorlopige plaatsing op grond van artikel 14 Lv GGZ

De Procureur-Generaal bij het Parket van Sint Maarten verzocht het Hof om toetsing van een voorwaardelijke machtiging tot voorlopige plaatsing van betrokkene op grond van artikel 14 van Pro de Landsverordening tot regeling van het toezicht op krankzinnigen (Lv GGZ).

Betrokkene lijdt aan schizofrenie en is sinds 2011 onder behandeling van het psychiatrisch ziekenhuis MHF. Na het weigeren van depotmedicatie in december 2025 is er een verhoogd risico op terugval en gevaar voor betrokkene en zijn omgeving. Het Hof constateerde dat ambulante behandeling met medicatie en controles een minder ingrijpende en effectieve maatregel is, mits betrokkene meewerkt.

Het Hof oordeelde dat de voorwaardelijke machtiging rechtmatig is en kan worden voortgezet voor maximaal zes maanden, ingaande 6 januari 2026. Tevens werd een advocaat toegevoegd voor rechtsbijstand, met een forfaitaire vergoeding, vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag voor rechtsbijstand en de vereisten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De voorwaardelijke machtiging tot voorlopige plaatsing wordt bevestigd en een advocaat wordt toegevoegd voor rechtsbijstand.

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO,SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Registratienummer: EJ2025/8/SXM202600030
Beschikking van 16 januari 2026
op het verzoek van
de Procureur-Generaal bij het Parket Procureur-Generaal van Sint Maarten,gevestigd in Sint Maarten,
verzoeker,
betreffende de voorwaardelijke machtiging tot voorlopige plaatsing op grond van artikel 14 van Pro de Landsverordening tot regeling van het toezicht op krankzinnigen (hierna: de Lv GGZ), van
[betrokkene],geboren op [geboortedatum] te Sint Maarten,
wonende te Sint Maarten,
betrokkene,
gemachtigde: mr. R.M. Stomp.
Het Hof merkt de Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid als belanghebbende aan (hierna: de Minister van VSA).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 12 januari 2026 een verzoekschrift ter griffie ingediend. Bij het verzoek zijn gevoegd:
- De medische verklaring van [X] van 30 december 2025, als bedoeld in artikel 17 van Pro de Lv GGZ;
- Het bevelschrift tot voorwaardelijke voorlopige plaatsing van de Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid (VSA) van 6 januari 2026;
- De kennisgeving van het bevelschrift van 6 januari 2026;
- Het ambulante behandelplan van 30 december 2025;
- De aantekeningen in het patiëntendossier tot en met 6 januari 2026;
- De aantekeningen uit het strafblad van de betrokkene.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 januari 2026, bij betrokkene thuis. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door de gemachtigde;
- de moeder en broer van betrokkene;
- [ X], psychiater;
- [ Y], verpleegkundige.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.
De Minister van VSA heeft bij beschikking van 6 januari 2026, onder meer, beslist:
- machtiging te verlenen tot voorlopige plaatsing van betrokkene bij MHF;
- te bepalen dat de machtiging niet ten uitvoer zal worden gelegd zolang het behandelplan zonder plaatsing bij MHF zinvol kan worden uitgevoerd.
2.2.
De Minister heeft overwogen ‘dat gelet op het ingrijpend karakter van plaatsing in een gesticht welke beneming van de persoonlijke vrijheid met zich brengt, is gebleken dat de [betrokkene] vooralsnog thuis, dan wel in een ambulante setting, kan worden behandeld, mits het aangehechte medische behandelplan wordt nageleefd, aangezien de toestand van betrokkene stabiliteit toelaat bij adequate uitvoering van dit behandelplan, aanleiding bestaat om ten deze een voorwaardelijke machtiging te verlenen’. De Minister heeft aan dit voorwaardelijke bevelschrift een geldigheidsduur van zes maanden verbonden.
2.3.
De Procureur-Generaal heeft vervolgens op verzoek van de Minister de beschikking ambtshalve aan het Hof voorgelegd ter toetsing. Het verzoek strekt er aldus toe dat het Hof de rechtmatigheid van het voorwaardelijke bevelschrift van de Minister toetst.
2.4.
Het Hof overweegt in de eerste plaats dat noch de Lv GGZ, noch enige andere wettelijke regeling in Sint Maarten, een grondslag bevat voor de verlening van rechtsbijstand aan de betrokkene door een van overheidswege toegevoegde advocaat. Uit vaste rechtspraak van het EHRM vloeit echter voort dat een persoon die onvrijwillig is opgenomen in een psychiatrische kliniek in beginsel rechtsbijstand dient te ontvangen in de procedures die gaan over de voortzetting, schorsing of beëindiging van de opname (EHRM N. v. Romania, 2017, § 196). De nationaal bevoegde rechter heeft een verzwaarde plicht om erop toe te zien dat personen met een dergelijke beperking effectieve rechtsbijstand ontvangen (EHRM M.S. v. Croatia (no. 2), 2015, § 154; EHRM V.K. v. Russia, 2017; Martinez Fernandez v. Hungary, 2025). Verder moet onder ogen worden gezien dat een persoon die onvrijwillig is of zal worden opgenomen in verband met een psychische stoornis, in het algemeen niet in de gelegenheid is om de geldende procedures te volgen om gefinancierde rechtsbijstand te verkrijgen (de zogenaamde gele kaart). Dit betekent volgens het Hof dat de overheid dient te voorzien in een (financierings)systematiek om effectieve rechtsbijstand te garanderen. Bovendien dient in gevallen van een gedwongen opname met spoed een advocaat te kunnen optreden en kan de beslissing over een aanvraag voor kosteloze rechtsbijstand niet worden afgewacht. Ook daarom is voor effectieve rechtsbijstand in dit soort gevallen automatische toevoeging van een advocaat nodig.
2.5.
Het Hof zal in het geconstateerde rechtstekort voorzien en bepalen dat een advocaat wordt toegevoegd aan personen die onvrijwillig zijn opgenomen in een psychiatrische kliniek, of een verzoek daartoe is ingediend. Voor de praktische uitvoering wordt aangesloten bij het ter zake ontwikkelde beleid door het Ministerie van Justitie en het Ministerie van VSA en de piketafspraken die met de advocatuur zijn gemaakt.
Het Hof zal verder bepalen dat aan de toegevoegde advocaat een forfaitaire vergoeding voor de geleverde rechtsbijstand zal worden toegekend, waarbij wordt aangesloten bij de in het beleid neergelegde vergoedingssystematiek.
2.6.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde op de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychiatrische stoornis, te weten schizofrenie. Betrokkene is sinds 2011 onder behandeling van MHF en is eerder opgenomen geweest. De laatste paar jaar is hij stabiel gebleven op depotmedicatie. In december 2025 heeft hij de injectie echter geweigerd. De psychiater en de familie vrezen voor een terugval.
2.7.
Namens betrokkene is naar voren gebracht dat hij momenteel nog stabiel is en dat het vooral belangrijk is dat betrokkene dagbesteding heeft en geen cannabis gebruikt. Verder zou de medicatie van betrokkene wellicht aangepast kunnen worden, zodat hij minder last van bijwerkingen heeft, aldus de advocaat.
2.8.
Het Hof overweegt dat het handelen van betrokkene als gevolg van de stoornis, gevaar oplevert voor betrokkene zelf en de omgeving. Sinds betrokkene de depotmedicatie heeft geweigerd, is hij gestopt met werken en is hij cannabis gaan roken, terwijl hij dat normaal gesproken niet doet. Bekend is dat het gebruik van cannabis de psychische decompensatie kan versnellen. In het verleden is betrokkene bij terugvallen steeds meer psychotische symptomen gaan ervaren, zoals paranoïde gedachten en het horen van stemmen en heeft hij fors agressief gedrag laten zien, waarvoor hij ook strafrechtelijk is veroordeeld.
2.9.
Om het gevaar af te wenden en de (geestelijke) gezondheid en autonomie van betrokkene te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig. Hij erkent weliswaar zijn diagnose en bevestigt dat hij eerder opgenomen is geweest en in de problemen is gekomen met justitie, maar hij wil geen injecties meer, omdat hij daar een dof en duizelig gevoel van krijgt. Geconstateerd wordt dat betrokkene onvoldoende ziektebesef en ziekte-inzicht heeft. Zorg op vrijwillige basis zal daarom naar verwachting geen soelaas bieden. Als betrokkene de medicatie blijft weigeren, dan bestaat het ernstig risico dat betrokkene op korte termijn ernstig zal decompenseren en opnieuw in de problemen zal komen, met alle gevolgen van dien voor hemzelf en anderen.
2.10.
Betrokkene heeft ten overstaan van de rechter verklaard dat hij overweegt zich te conformeren aan het behandelplan, als daarmee opname bij MHF wordt voorkomen. Met de psychiater is verder besproken dat zal worden bekeken of een lagere dosis of een ander type medicatie kan worden toegediend, om de bijwerkingen te beperken. Ook is gesproken over dagbesteding voor betrokkene.
2.11.
Het Hof constateert dat in beginsel wordt voldaan aan de voorwaarden voor een onvrijwillige opname van verzoeker bij MHF op grond van artikel 14 van Pro de Lv GGZ.
Het Hof overweegt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid volgt dat van vrijheidsbeneming moet worden afgezien indien een minder ingrijpende en naar verwachting effectieve maatregel beschikbaar is. Dat is hier het geval, namelijk een ambulante behandeling met medicatie en controles door het ambulante team van MHF, overeenkomstig het overgelegde behandelplan. Redelijkerwijs valt te verwachten dat betrokkene daaraan zal meewerken, gelet op zijn mededeling en het besprokene op de zitting.
2.12.
Hoewel een expliciete wettelijke grondslag voor een voorwaardelijke machtiging ontbreekt, is het Hof gelet op het voorgaande oordeel dat de Minister het voorwaardelijke bevelschrift op goede gronden en rechtmatig heeft verleend en dat deze kan worden voortgezet. [1]
2.13.
Het bevelschrift van de Minister heeft een maximale geldigheidsduur van zes maanden. Tenuitvoerlegging daarvan door gedwongen opname is alleen mogelijk als nog steeds aan de gronden voor plaatsing wordt voldaan en een nieuwe medische verklaring wordt overgelegd, opgesteld door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, waarna toetsing van de plaatsing door de Procureur-Generaal aan het Hof zal worden verzocht.

3.De beslissing

Het Hof:
3.1.
bepaalt dat als advocaat mr. R.M. Stomp wordt toegevoegd voor het verlenen van rechtsbijstand aan de betrokkene;
3.2.
bepaalt dat aan de advocaat een vergoeding toekomt van Cg 750,-;
3.3.
bepaalt dat het voorwaardelijk bevelschrift tot voorlopige plaatsing van
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] te Sint Maarten, kan worden voortgezet voor de duur van zes maanden, ingaande 6 januari 2026, of zoveel korter als de toestand van betrokkene mocht eisen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Drenth, J.R. Veerman en L.J. Saarloos, leden van voormeld Hof, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026 door mr. G. Drenth, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Summary of the Judgment
This summary is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.
The considerations of the Court in this case
The Minister of VSA decided:
- to authorize the provisional placement of the person concerned at MHF;
- that the admission is not necessary as long as the person concerned complies with the treatment plan.
The Court finds that, in principle, the conditions for involuntary admission to MHF under section 14 of the National Ordinance are met. The Court considers that it follows from the jurisprudence of the European Court of Human Rights and the requirements of proportionality, subsidiarity and effectiveness that deprivation of liberty should be waived if a less intrusive and expectedly effective measure is available. Such is the case in this instance, namely outpatient treatment with medication and monitoring by MHF's outpatient team in accordance with the treatment plan submitted. It is reasonable to expect that the person concerned will cooperate with this, in view of his communication and the discussion at the court hearing.
The Court:
- assigns the attorney mr. Stomp to the person concerned;
- stipulates that the attorney is entitled to a compensation of Cg 750,-;
- finds that the conditional authorization for placement at MHF is ordered rightfully and is valid for a maximum of 6 months, commencing January 6, 2026, or so much shorter as the condition of the person concerned may require
- declares this decision immediately enforceable.

Voetnoten

1.Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 4 juli 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:195