ECLI:NL:OGHACMB:2026:3

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
BON2020H00047
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de ontbinding van een aannemingsovereenkomst en de gevolgen van verzuim

In deze zaak gaat het om een geschil tussen de besloten vennootschap [APPELLANT] B.V. en Caribbean Project Developers B.V. (CPD) over de uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor een ruwbouwproject op Bonaire. De zaak is in hoger beroep gekomen na een eerdere uitspraak van de Hoge Raad, die het Hof had teruggewezen voor nadere motivering. Het Hof heeft de feiten en omstandigheden van de zaak opnieuw beoordeeld, waarbij het de rol van de oplevertermijnen en de vraag of CPD in verzuim was, centraal heeft gesteld. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat het Hof niet zonder nadere motivering kon concluderen dat CPD niet in verzuim was geraakt. Het Hof heeft nu vastgesteld dat de sluiting van de Zuidpier van Bonaire, die leidde tot vertraging in de levering van bouwmaterialen, als overmacht kan worden aangemerkt. Hierdoor was CPD niet in verzuim op het moment dat [appellant] de overeenkomst ontbond. Het Hof heeft de vorderingen van [appellant] tot betaling van boetes en schadevergoeding afgewezen, en de reconventionele vorderingen van CPD zijn eveneens afgewezen. Het vonnis van het Gerecht is bevestigd, en de proceskosten zijn gecompenseerd.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: BON201900388 – BON2020H00047
Uitspraak: 13 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[APPELLANT] B.V.,
gevestigd te Bonaire,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
thans appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. M.D. van den Brink,
tegen
de besloten vennootschap
CARIBBEAN PROJECT DEVELOPERS B.V.,
gevestigd te Bonaire,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.J. de Winter.
Partijen worden hierna [appellant] en CPD genoemd.

1.De zaak in het kort

Dit geding betreft een geschil tussen de opdrachtgever en de aannemer van een ruwbouwproject op Bonaire. De Hoge Raad heeft overwogen dat het Hof niet zonder nadere motivering kon oordelen dat de aannemer niet in verzuim is geraakt. Nu beoordeelt het Hof de zaak na cassatie en terugwijzing. Het Hof komt tot dezelfde uitkomst, maar met een nadere motivering.

2.Het verdere verloop van de procedure

2.1
Bij HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1538 heeft de Hoge Raad het vonnis van het Hof van 4 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:120, vernietigd en het geding teruggewezen.
2.2
Op 25 maart 2025 hebben beide partijen een memorie na cassatie ingediend.
2.3
Op 11 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad in Curaçao. Vooraf heeft de gemachtigde van [appellant] producties 69 en 70 toegezonden en de gemachtigde van CPD producties 78 tot en met 82. De advocaten hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitaantekeningen, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Partijen hebben verder debat gevoerd en vragen van het Hof beantwoord.
2.4
Vonnis is bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.1 [
[appellant] heeft het General Aviation & Tourist Service Center ontwikkeld. Op 19 april 2017 heeft zij een aanneemovereenkomst met CPD gesloten voor het realiseren van de ruwbouw daarvan.
3.1.2
De in de overeenkomst van 19 april 2017 opgenomen opleverdatum voor de ruwbouw, 1 april 2018, is niet gehaald.
3.1.3
Op 29 mei 2018 hebben partijen een aanneemovereenkomst gesloten voor het uitvoeren van extra werkzaamheden aan het project (hierna: de tweede overeenkomst). In de tweede overeenkomst is opgenomen:
1. The start of the construction will take place the May 29th 2018, or the first labor day after this agreement is closed.
2. The construction will be executed without any interruption till the delivery of the work no later than August 14th 2018. Only by “act of God” a delay maybe considered after deliberation and approval of both parties.
3. The execution of the work must be in accordance with the drawing initialed by both parties and this agreement, which every party has received a copy.
(…)
4. The work is considered finalized the day of the delivery, after the inspection and approval of the Surveyor and the Principal. If there is still unfinished or unsatisfactory work in the project, the Surveyor will hand to the Contractor a list which must be executed before the project can be considered finalized.
5. This agreement is based on the CPD schedule received May 24th 2018, which stated August 14th 2018 as the last date to deliver the project, both the old and the new project. For every day that the contractor fails to deliver the project after August 14th, the contractor must pay a fine to the principal for the amount of US$ 250,00.
6. The contractor agrees to hire extra workers for these extra works, to avoid delays and meet the schedule date as stated before.
3.1.4
Op 12 juni 2018 is op een Bonairiaanse nieuwssite bericht dat de Zuidpier van Bonaire in het kader van noodherstel gesloten zou zijn van 13 juni 2018 tot en met 1 oktober 2018.
Op 5 juli 2018 heeft CPD beton besteld.
Op 6 juli 2018 heeft de leverancier bericht dat er een wachtlijst is en dat er geen zand en grint geïmporteerd kan worden omdat de pier gesloten is.
Hiervan heeft CPD melding gemaakt in diverse weekrapporten.
3.1.5
Bij e-mail van 31 juli 2018 heeft CPD aan [appellant] bericht:
Hereby I would like to inform you that the delivery date of August 14, 2018 can not be reached due to problems related to the delivery of sand & gravel to the Island of Bonaire.
3.1.6
Op 31 juli 2018 is tussen CPD en [appellant] het volgende Whatsapp-gesprek gevoerd:
[appellant]: Ruman que dia sobra di sobre piso di basement trapinan ta kla???
[CPD]: Awor ku santo a jega nos ta sigi mes ora riba nan mi ta concentra pa wak ku binnen di 11 dia nos por kaba nan
(…)
[CPD]: Ami e siman aki mi te kuminsa ku e sobre piso tambe di e flur ariba. Pa por pega tegels anto mester laga e dak seka pa por saka e altura di e aluminio. Mi ta kere aki tres siman nan
Vrij vertaald door het Hof
[appellant]: Broer wanneer zijn de cementdekvloer van de kelder en de trappen klaar???
[CPD]: Nu het zand er is gaan we daar meteen mee door ik doe mijn best om te zien of we ze binnen elf dagen af kunnen hebben
(…)
[CPD]: Deze week begin ik ook met de cementdekvloer van de bovenverdieping. Om de tegels te kunnen leggen moeten we eerst het dak laten drogen om de aluminium profielen te kunnen plaatsen. Ik denk drie weken vanaf nu
3.1.7
Vanaf augustus 2018 heeft [appellant] zorgen geuit richting CPD over de voortgang van het project en de kwaliteit van het werk.
3.1.8
Bij e-mail van 10 augustus 2018 heeft (een medewerker van het bureau van) de architect van het project, [architect] (hierna: [architect]) een tekening van septic tanks aan CPD toegezonden.
3.1.9
De in art. 2 en 5 van de tweede overeenkomst genoemde opleverdatum, 14 augustus 2018, is niet gehaald.
3.1.10
Bij e-mail van 29 augustus 2018 heeft CPD bij [architect] gevraagd om de planning voor de elektra en de loodgieterswerkzaamheden om daarmee rekening te houden bij de planning van het werk van CPD.
3.1.11
Bij e-mail van 3 september 2018 heeft CPD bericht over een vergadering van 30 augustus 2018 waarin gesproken is over vertraging. In die mail wijt CPD de vertraging aan:
- the delivery of sand to the island;
- the change of the window heights, solar panel supports, electricity and plumbing works.
Bij die e-mail heeft CPD een eindschema
(finishing schedule)gevoegd, dat eindigt op 30 oktober 2018 (als einddatum voor de installatie van de aluminium profielen op de bovenverdieping).
Bij e-mail van 5 september 2018 heeft [architect] tekeningen aan CPD gestuurd van een aan te brengen wand om de keuken van het café te scheiden.
Bij e-mail van 21 september 2018 heeft [architect] een tegelplan voor de begane grond aan CPD gestuurd, met het verzoek om even te wachten met de gang en de muren achter de nieuwe kantoorruimte, omdat de architect waarschijnlijk nog een wijziging in de nieuwe kantoorruimte zal aanbrengen.
3.1.12
Bij e-mail van 25 september 2018 heeft [appellant] aan CPD bericht:
Mi tin algun dia mi ta controlandu di difirente biaha y ku lastima mi tin di bisa ku ninhun hende extra no ta trahandu, no over time ta tumandu luga etc.
Trabou di plaster ta mal pega ta un hende so ta show up mitar dia of minus, ku e rumbo aki mi ta mira ku bo ta bai konfronta problema serio, un bes aki e installer ta jega fe Portugal y pa di su gastu lo laba riba 300 dollar sin konta e kosto di penalty pa kada dia ku trabou no kaba, so mi ta spera ku e mail aki lo ta un alarma pa disperta bo y realisa ku e speed aki lo bo bai hanja bo ku problema sigur, e ta un gran berguinsa ku despuel di tantu kos ku [installateur] ora e installer jega ainda bo no ta ready pa kuminsa un bes.
Eingeliek mi no tin nada di bisa banda di nos kontrakt, pero mi ta konsehandu bo y mi ta spera ku bo ta aksepta mi konseho y evita lo pior ku ta jegandu sigur si bo no aktua lihe y buska trahador extra of sub-contract mas compania of buska hende for di Curacao.
Vrij vertaald door het Hof:
Sinds enige dagen ben ik verschillende keren aan het controleren en helaas moet ik zeggen dat er geen extra mensen aan het werk zijn, er vindt geen overwerk plaats enz.
Het stucwerk verloopt slecht, er is maar één persoon die een halve dag of minder komt werken, met dit tempo zie ik dat jij een serieus probleem gaat krijgen, als eenmaal de installateur aankomt uit Portugal en zijn kosten rond de 300 dollar per dag zullen liggen zonder de kosten van de boete voor elke dag dat het werk niet af is mee te tellen, dus ik hoop dat deze e-mail een waarschuwing is om je wakker te schudden en te beseffen dat je met dit tempo zeker in de problemen zult komen, het is een grote schande dat na zoveel gedoe met [installateur] als de installateur eindelijk aankomt jij niet klaar bent om een keer te beginnen.
Eigenlijk heb ik niets te zeggen buiten ons contract om, maar ik adviseer je en ik hoop dat je mijn advies aanneemt en erger voorkomt wat zeker zal komen als je niet snel handelt en extra werklieden zoekt, of meer bedrijven in onderaanneming neemt of mensen uit Curaçao haalt.
De in deze e-mail genoemde persoon [installateur] is een installateur uit Portugal.
3.1.13
Bij e-mail van 16 oktober 2018 heeft [architect] een plattegrond
(floor plan)voor twee extra kantoorruimtes aan CPD gestuurd.
3.1.14 [
[appellant] heeft de facturen van CPD tot en met oktober 2018 betaald.
3.1.15
Bij e-mail van 4 november 2018 heeft CPD aan [appellant] bericht dat zij aan een definitieve planning heeft gewerkt, maar dat zij die niet heeft kunnen afmaken, en aanbevolen dat [architect] de definitieve planning met CPD doorloopt zodat alles erin kan worden opgenomen. [appellant] heeft die e-mail op 5 november 2018 naar [architect] doorgestuurd met het verzoek om met spoed contact met CPD op te nemen. Bij e-mail van 9 november 2018 heeft [architect] een tekening van de tweede extra kantoorruimte aan CPD gestuurd.
3.1.16
Als bijlage bij e-mail van 12 november 2018 heeft [architect] CPD een vooropleverlijst toegezonden. In de -mail staat:
Aki mi ta manda un lista de e kosnan ku mester di atenshon. Lagami sa ki dia/ora bo por y nos lo por repasa nan huntu riba trabou.
Vrij vertaald door het Hof:
Hierbij stuur ik een lijst van de dingen die aandacht nodig hebben. Laat mij weten op welke dag/uur jij kan, zodat wij samen het werk kunnen doornemen.
3.1.17
Bij e-mail van dezelfde dag heeft [appellant] aan CPD bericht:
Porfabour manda mi e fecha ku ta attende tur e puntonan aki riba, by the way quanto hende tin ta trahandu aktualmente? Atrobe mi ta mira poko henda na e obra.
Vrij vertaald door het Hof:
Wil je mij de datum sturen waarop wij de bovengenoemde punten gaan behandelen/oppakken? By the way hoeveel mensen heb je aan het werk op dit moment? Ik zie weer weinig mensen aan het werk.
3.1.18
Bij e-mail van 23 november 2018 heeft [appellant] aan CPD bericht:
Sigi numa ku bo weganan, sigi manda hende kas pa bo spar algun shen dollar mientras [installateur] tin rason e 2 portuguesnan ta trahandu nan so y sin e machinario ku nan a pidi bo adelanta, kos ku mi a bisa bo ayera kaba y hopi mas biaha y mi tin tur documenta, pabien digi asina, si bo ta kere ku bo ta spar sen asina sigi kere numa pa nos unda bo ta jega.
Mas ke masha hopi biaha mi a puntra bo pa pone hende back y asta oumenta a kantidad pero nunka bo na a tende, ami tin un agreement ku bo lo mi bai segun e agreement aki, wega a kaba.
Un kos bo mester sa ku despues di 18 di December tur perdida di entrada y penalty lo ta riba bo gastu. Ami ta kla mi no ta bai mete mas, bo a tuma mi hasi hopi, basta ta basta.
Vrij vertaald door het Hof:
Ga maar door met je spelletjes, blijf mensen naar huis sturen om een paar honderd dollar te besparen, terwijl [installateur] gelijk heeft, de twee Portugezen zijn alleen aan het werk en zonder de apparatuur waarom ze je van tevoren hebben gevraagd, wat ik je gisteren en nog veel vaker heb verteld en ik heb alle documenten, gefeliciteerd ga zo door, als je denkt dat je zo geld kunt besparen, blijf dat maar denken zodat we [zullen zien] waar je uitkomt.
Talloze malen heb ik je gevraagd om mensen terug te plaatsen en zelfs het aantal te verhogen maar je hebt nooit geluisterd, ik heb een overeenkomst met je, ik zal die overeenkomst volgen, spelletjes zijn afgelopen.
Een ding moet je weten dat vanaf 18 december alle verlies van inkomsten en boete(s) voor jouw rekening zullen komen. Ik ben er klaar mee ik ga me er niet meer mee bemoeien, je hebt mij al vaak in de maling genomen, genoeg is genoeg.
3.1.19
Bij brief van 2 januari 2019 heeft de advocaat van [appellant] aan CPD bericht:
[appellant] has informed me that you are in breach with your obligations under the agreements. Most notably, you have failed to complete the project within the agreed period, thereby forfeiting the penalties provided for in the agreements. As to date,
inter alia,the following work still needs to be completed:
i. The main stairs and ramp must be installed.
ii. The roof rain water drainage is defected and must be corrected.
iii. The work on the metal stairs to the second floor needs to be completed. This includes filling the gap on the stairs, attaching the stairs to the groundfloor and installing the side rails.
iv. The defective masonry works (as indicated by [werknemer appellant]) must be corrected. We note that the subcontractor engaged by you to correct the masonry had ceased all work, apparently due to the fact that you have failed to fulfil your payment obligations to him.
v. The outstanding points on the punch list provided to you by [architect] must be completed.
vi. Upon completion of the above points, the building site must be cleaned.
(…)
On behalf of [appellant], I herewith request CPD, and to the extent necessary I summon CPD to have completed all outstanding work (which includes remedying all defective work) ultimately on 25 January 2019 at 17:00.
Should you fail to comply with this demand, [appellant] reserves the right to (partially) terminate the agreements and to have the work completed by a third party. All costs associated therewith will be claimed from you. [appellant] furthermore explicitly reserves the right to claim the penalties incurred by CPD as a result of the late completion of the project and all damages that [appellant] has and will incur as a result thereof (…).
3.1.20
Bij brief van 7 januari 2019 heeft CPD aan de advocaat van [appellant] bericht (op p. 1):
First of all we would like to inform you that (…) CPD has never breached the contract regarding this project and that we will not accept any responsibility for the late delivery of the project due to factors caused by others. During previous email communications CPD has stated clearly to [appellant] that we will not compromise ourselves to delivery dates as imposed by him without any legally established mutual agreement. (…) This was also confirmed in a meeting on November 22nd, 2018 which was requested by him at his office. In this meeting [appellant] himself has expressed that he wants to finish the project in peace with CPD and has pledged its full cooperation in this matter. That’s why I consider this letter as a total surprise; it is certainly not the signal of what he has promised in the meeting. (…).
After the abovementioned we would like to inform you that we do not have any agreement with [appellant] about the final delivery date and that we under no circumstances will we agree with this unilaterally imposed deadline. This does not mean that we are not prepared to work to final delivery date, because it is also in our interest to finish the project. But it should be achieved on a bilateral basis and not a unilateral one.
We acknowledge to have signed contracts with [appellant] on the mentioned dates but both contracts were severely breached on several occasions by the same [appellant] due to design changes, by him contracted subs, by him ordered/delivered materials and other issues which will be outlined in this letter.
(…)
En op p. 8:
We have noticed that the payment behavior has been changed intentionally and that we are requesting [appellant] to immediately pay the outstanding invoices of November and December 2018 in order to enable us to continue with the project after the vacation period which is on Januari 21st, 2019.
3.1.21
Bij brief van 9 januari 2019 heeft CPD aan de advocaat van [appellant] bericht:
Hereby I would like to inform you that on January 8th, 2019 Caribbean Project Developers B.V. (CPD) has been denied access to the construction site at the [General Aviation & Tourist Service Center (GA&SC) project.
(…) Yesterday, January 8th, 2019 an associated sub constractor of CPD needed an aluminum ladder to do a job for his company and has asked us if he could borrow one. We have told him that at the construction site (GA& TSC) we have several aluminum ladders and that he was authorized to use one. To our surprise he was denied access to the construction site by [werknemer appellant], an employee/representative of [appellant], where he was told that CPD is no longer allowed to enter the construction site and that it is also not allowed to remove whatever from the construction site. (…)
With the above mentioned action [appellant] (...) has unilaterally terminated the contract and will be put responsible for all the costs resulting out of this contract termination.
3.1.22
Bij brief van 11 januari 2019 heeft de advocaat van [appellant] aan CPD bericht:
Aside from the fact that CPD was not denied access to the construction site (…) any denial of access does not constitute the termination of the agreement.
(…)
I note that CPD was already in default in view of
inter alia, the fact that:
i. it has failed to complete this project within the terms provided for in article 1.7 of the construction agreement of 19 April 2017 and article 2 of the agreement of 29 May 2018;
ii. it has hired foreign personnel without arranging employment permits, which violates article 1.5 of the construction agreement of 19 April 2017. This fact is evidenced, inter alia, by an e-mail that [appellant] received from [ambtenaar] of the RCN-unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid and by a voicemail message left by you for [appellant], in which you state that you will have your employees working in the weekend on order to prevent detection by the authorities;
iii. it has not taken any CAR insurance for the period following 1 January 2019 which violates article 6.1 of the construction agreement of 19 April 2017.
On behalf of [appellant], I herewith partially terminate the agreement (in Dutch: gedeeltelijke ontbinding) in the sense that CPD is relieved from its contractual obligations to complete the project. As of the date of this letter CPD is no longer allowed access to the construction site.
(…)
As outlined in my letter of 2 January 2019, [appellant] has reserved the right to claim payment of the contractual penalties incurred by CPD. The total amount of penalties due to date is USD 170.250.
3.1.23
Na 11 januari 2019 heeft CPD geen werkzaamheden ten behoeve van het project meer verricht.
Vorderingen en eerdere beslissingen
3.2 [
[appellant] vordert in conventie:
a. betaling van USD 37.250 aan verbeurde boetes, met wettelijke rente;
b. betaling van USD 99.433,50 aan schadevergoeding, met wettelijke rente;
c. vergoeding van de door [appellant] te maken kosten voor installatie van aluminium puien en kozijnen in het project, op te maken bij staat.
3.3
CPD vordert in reconventie:
d. verklaring voor recht dat [appellant] ten aanzien van het project geen aanspraak kan maken op enigerlei garantie;
e. verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor alle door CPD geleden en te lijden schade, voorlopig te begroten op USD 199.607,10, althans een voorschot daarop, met wettelijke rente;
f. betaling van USD 199.607,10 als schadevergoeding;
g. vergoeding van verdere schade, op te maken bij staat.
3.4
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht vordering d van CPD toegewezen en de overige vorderingen (in conventie en in reconventie) afgewezen.
3.5
Bij vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof het vonnis van het Gerecht bevestigd.
3.6
De Hoge Raad heeft laatstgenoemd vonnis van het Hof vernietigd en de zaak teruggewezen.
Beoordeling door het Hof
De vorderingen van [appellant]
3.7
Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht (onder 20) dat de termijn die genoemd wordt in art. 2 en 5 van de tweede overeenkomst (tot en met 14 augustus 2018) aangemerkt moet worden als een fatale termijn.
3.8
Onder 21 heeft het Gerecht overwogen dat later aan die termijn het fatale karakter is ontnomen. [appellant] heeft dat bestreden in grief 1.
3.8.1
Niet is betwist dat de sluiting van de Zuidpier onverwacht was voor partijen en ernstige problemen opleverde met betrekking tot de aanvoer van zand en grint, die nodig waren voor het project. In haar e-mail van 31 juli 2018 heeft CPD verwezen naar deze problemen. Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] in de periode na 31 juli 2018 tot aan de ontbindingsbrief van 11 januari 2019 aan CPD te kennen heeft gegeven dat deze problemen gerelativeerd moeten worden of aan CPD toegerekend moeten worden. Mede gelet hierop mocht CPD redelijkerwijs verwachten dat de sluiting van de Zuidpier gold als een
act of God(overmacht) als bedoeld in art. 2 van de tweede overeenkomst en dat er daarom een
deliberation(overleg) als bedoeld in die bepaling moest komen. In lijn hiermee mocht [appellant] CPD niet onverkort houden aan de overeengekomen termijn tot en met 14 augustus 2018, ook niet zolang er nog geen
approval of both partiesals bedoeld in die bepaling was gekomen. Voor zover dit niet reeds op zichzelf het fatale karakter aan de termijn tot en met 14 augustus 2018 heeft ontnomen, dient ook de gang van zaken daarna in aanmerking te worden genomen.
3.8.2
Op de aankondiging van CPD van 31 juli 2018 dat de opleverdatum 14 augustus 2018 niet zou worden gehaald, heeft [appellant] niet gereageerd met de opmerking dat CPD na 14 augustus 2018 in verzuim zou zijn en dat [appellant] CPD onverkort aan art. 5 van de tweede overeenkomst (over de boetes) zou houden. In plaats daarvan heeft [appellant] gevraagd wanneer het werk na 14 augustus 2018 klaar zou zijn.
3.8.3
In het Whatsapp-gesprek van 31 juli 2018 noemt CPD een termijn van elf dagen voor een deel van het werk en een termijn van drie weken voor een ander deel van het werk. [appellant] heeft in dat gesprek (of daarna) niet daartegen geprotesteerd. Anders dan [appellant] na cassatie en terugwijzing heeft aangevoerd, kan uit de door CPD in dat gesprek genoemde termijnen niet uit worden afgeleid dat CPD na ommekomst van die termijnen in verzuim zou zijn, nu de bewoordingen van de mededelingen van CPD in het Whatsapp-gesprek duidelijk maken dat die termijnen slechts schattingen zijn.
3.8.4
Kort voor 14 augustus 2018 en nog maanden daarna heeft de architect van [appellant] diverse tekeningen bij CPD aangeleverd, die kennelijk eerder niet beschikbaar waren gesteld en van belang waren voor de wijze waarop [appellant] wilde dat het werk zou worden uitgevoerd (zie in het feitenoverzicht de e-mails van 10 augustus 2018, 5 september 2018, 21 september 2018, 16 oktober 2018 en 9 november 2018). In de e-mail van 21 september 2018 vraagt de architect CPD om even te wachten met bepaalde constructies in afwachting van een mogelijke nieuwe wijziging door de architect. Voor een deel houden deze tekeningen van de architect meerwerk in, althans CPD mocht het redelijkerwijs zo begrijpen. Dit past in een patroon waarin [appellant] al eerder meerwerk had verlangd en geaccordeerd (waarbij wel geldt dat meerwerk dat vóór de totstandkoming van de tweede overeenkomst is opgedragen, niet meeweegt in deze beoordeling, omdat aangenomen moet worden dat dit meerwerk is verdisconteerd in de oplevertermijn die in de tweede overeenkomst is bedongen).
3.8.5
Uit de e-mail van 29 augustus 2018, waarin CPD vroeg om de planning voor de elektra en de loodgieterswerkzaamheden moest [appellant] redelijkerwijs begrijpen dat CPD meende van de voortgang van die werkzaamheden afhankelijk te zijn om het eigen werk te kunnen afmaken. [appellant] heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat die afhankelijkheid bestond.
3.8.6
Uit de enkele omstandigheid dat het eindschema dat CPD bij haar e-mail van 3 september 2018 heeft gevoegd eindigt op 30 oktober 2018 (en [appellant] daar niet expliciet op heeft gereageerd), kan niet volgen dat CPD op 30 oktober 2018 in verzuim is geraakt. CPD behoefde op grond van die gang van zaken niet te verwachten dat [appellant] zou menen dat op die datum het verzuim zou ingaan.
3.8.7
Weliswaar heeft [appellant] in haar e-mail van 25 september 2018 de boetes en het contract genoemd, maar zij deed dat in een zinsverband (“zonder mee te tellen”) dat niet duidelijk maakt of [appellant] daadwerkelijk aanspraak op boetes zal maken en zo ja, wanneer de boetes volgens [appellant] zouden ingaan.
3.8.8
De omstandigheid dat [appellant] tot en met oktober 2018 de facturen bleef betalen, weegt mee ten gunste van CPD. Dat geldt ook voor het feit dat CPD heeft doorgewerkt tot eind 2018 en dat tot in november 2018 bouwvergaderingen plaatsvonden, ook op verzoek van [appellant] (zie zijn e-mail van 5 november 2018). CPD heeft gesteld en onderbouwd dat partijen tijdens die bouwvergaderingen de voortgang van het project, inclusief het meerwerk en de overschrijding van de eerdere termijnen bespraken om te komen tot een “final schedule”. Dit heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist.
3.8.9
In de e-mail van 23 november 2018 heeft [appellant] een nieuwe datum genoemd waarop de boetes zouden ingaan, namelijk 18 december 2018. Bij de mondelinge behandeling heeft [appellant], bestuurder van [appellant], verklaard dat hij deze datum heeft genoemd als nieuwe termijn. Op de vraag van het Hof waar deze datum op gebaseerd was, heeft hij geantwoord dat hij zich dat niet goed kan herinneren. Daarom is onvoldoende gesteld of gebleken dat deze datum berust op een (nadere) overeenkomst tussen partijen. Uit deze e-mail mocht CPD wel redelijkerwijs afleiden dat [appellant] geen aanspraak zou maken op boetes over de periode 14 augustus 2018 tot 18 december 2018. Het recht om aanspraak te maken op die boetes heeft [appellant] daarmee verwerkt.
De e-mail van 23 november 2018 kan niet als ingebrekestelling worden beschouwd. Dit heeft het Hof in zijn vonnis van 4 juli 2023 onder 2.6.1 en 2.7.2 geoordeeld. Daartegen is [appellant] in cassatie niet opgekomen. Dat oordeel geldt nu dus als uitgangspunt.
3.8.10
Weliswaar vermeldt de advocatenbrief van 2 januari 2019 dat CPD boetes heeft verbeurd (zonder te specificeren vanaf welke datum) en dat [appellant] zich het recht voorbehoudt om betaling van de boetes te verlangen, maar in deze brief stelt de advocaat van [appellant] ook een nieuwe termijn om het werk af te maken. Indien het de bedoeling was dat in die brief onverkort zou worden vastgehouden aan de tweede overeenkomst, zou het wel of niet halen van de nieuw gestelde termijn geen verschil maken voor de aanspraken van [appellant]. Door het noemen van een nieuwe termijn schept de brief verwarring. CPD behoefde redelijkerwijs niet te begrijpen dat [appellant] onverkort vasthield aan de tweede overeenkomst en dat het noemen van de nieuwe termijn slechts bedoeld was om alsnog zo snel mogelijk het werk voltooid te krijgen (zoals de opsteller van de brief als gemachtigde van [appellant] heeft verklaard bij de mondelinge behandeling van 11 november 2025). In de brief wordt niet onvoorwaardelijk aanspraak gemaakt op betaling van de boetes (noch wordt de overeenkomst ontbonden). Ook in zoverre is de brief onduidelijk.
3.9
Op grond van al het voorgaande, in onderlinge verband beschouwd, moet geoordeeld worden dat CPD op 2 januari 2019 niet in verzuim was en op die datum ook niet in verzuim is geraakt, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] zich op verzuim van CPD op die datum beroept.
3.1
Ook de brief van 7 januari 2019 heeft CPD niet in verzuim gebracht; het is althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellant] zich op verzuim vanwege die brief beroept. Uit de opmerking dat CPD onder geen beding zal instemmen met enige
unilaterally imposed deadlinemocht [appellant] niet afleiden dat CPD niet tijdig zou nakomen en dus zou tekortschieten. Anders dan [appellant] in cassatie in klachtonderdeel 3 heeft aangevoerd, mocht zij uit die opmerking niet afleiden dat CPD slechts onder andere voorwaarden dan overeengekomen bereid was om haar verbintenissen uit de tweede overeenkomst na te komen. Ten eerste houdt de tweede overeenkomst mede in dat bij een
act of Godoverleg zou volgen; ten tweede mocht van [appellant] minimaal verwacht worden dat zij om verduidelijking van deze opmerking zou vragen. Ook uit de sommatie tot betaling
in order to enableCPD om de werkzaamheden voort te zetten, mocht [appellant] niet afleiden dat CPD zou tekortschieten. Ook hierover had zij verduidelijking moeten vragen voordat zij een dergelijke conclusie zou trekken.
3.11
In het vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof onder 2.6.4 geoordeeld dat de gebeurtenis van 8 januari 2019 geen rechtsgevolgen heeft gehad. Dit oordeel heeft CPD in incidenteel cassatieberoep tevergeefs bestreden. Het oordeel geldt daarom nu als uitgangspunt. Die gebeurtenis heeft CPD dus niet in verzuim gebracht.
3.12
In het vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof onder 2.6.4, 2.7.3 en 2.7.4 grief 3 van [appellant] (ook) verworpen voor zover daarin werd betoogd dat zij uit de brief van 9 januari 2019 mocht afleiden dat CPD zou tekortkomen in haar opleveringsverplichting. Het Hof heeft aan die verwerping ten grondslag gelegd dat de brief van 9 januari 2019 niet vermeldt dat CPD instemde met ontbinding, met verdere overwegingen over de tijdspanne tot 11 januari 2019 en verwijdering van bouwmaterialen. Deze overwegingen heeft [appellant] in cassatie niet bestreden. Zij gelden daarom nu als uitgangspunt. De brief van 9 januari 2019 heeft CPD dus niet in verzuim gebracht; het is althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellant] zich op verzuim vanwege die brief beroept.
3.13
Het voorgaande brengt ook mee dat de volgende standpunten van [appellant] worden verworpen:
a. CPD is zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (5.10 van de memorie van grieven);
b. het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat CPD een beroep doet op het ontbreken van een ingebrekestelling (5.11 van de memorie van grieven).
3.14
Gevolg van voorgaande oordelen is dat CPD ten tijde van de ontbindingsbrief van 11 januari 2019 niet in verzuim was, althans dat aan [appellant] geen beroep op dat verzuim toekomt. Dat brengt mee dat hetgeen in die brief onder i vermeld wordt, geen tekortkoming kan opleveren die ontbinding rechtvaardigt. In het vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof onder 2.7.5 grief 6 van [appellant] afgewezen op de grond dat eventuele tekortkomingen van CPD buiten de kwestie van de opleveringstermijn (zie de brief onder ii en iii en de aanduiding
inter aliain de brief) te gering van gewicht zijn om de ontbinding te rechtvaardigen. Dit oordeel heeft geen van beide partijen in cassatie bestreden. Het oordeel geldt daarom nu tot uitgangspunt. Ook als de brief van 11 januari 2019 in zijn geheel beschouwd wordt, is de slotsom dat ontbinding niet was gerechtvaardigd.
3.15
Gevolg van voorgaande oordelen is ook dat geen boete verschuldigd is, zoals het Hof in zijn vonnis van 4 juli 2023 onder 2.6.2 heeft overwogen (en [appellant] in cassatieonderdeel 5 heeft bestreden).
3.16
Op het voorgaande stuiten alle vorderingen van [appellant] af.
De vorderingen van CPD
Vordering d
3.17
In het vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof de toewijzing van de reconventionele vordering d van CPD in stand gelaten op grond van de overweging (onder 2.5) dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen die toewijzing. Dit oordeel heeft [appellant] in principaal cassatieberoep niet bestreden. Het oordeel geldt daarom nu tot uitgangspunt.
Vordering e, f en g
3.18
In het vonnis van 4 juli 2023 heeft het Hof de afwijzing van de reconventionele vorderingen e, f en g van CPD in stand gelaten op grond van de overweging (onder 2.8.2) dat CPD heeft nagelaten te betogen waarom die afwijzing onjuist is. Dit oordeel heeft CPD in incidenteel cassatieberoep tevergeefs bestreden. Het oordeel geldt daarom nu tot uitgangspunt.
Slotsom
3.19
Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep slagen niet. Het bestreden vonnis zal daarom worden bevestigd. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
in het principale hoger beroep en in het incidentele hoger beroep
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.