ECLI:NL:OGHACMB:2026:5

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00018
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete opgelegd door de Centrale Bank van Aruba aan Banco di Caribe N.V. met betrekking tot overtredingen van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Centrale Bank van Aruba (CBA) tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, waarin een bestuurlijke boete van Afl. 360.000,- was opgelegd aan Banco di Caribe N.V. (BdC) voor overtredingen van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (Lwtf). De CBA had de boete gematigd tot Afl. 350.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het Gerecht vernietigde deze beschikking en stelde de boete vast op Afl. 247.500,-. CBA ging in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. A.A.D.A. Carlo, terwijl BdC zich verweerde met mrs. M.A. Kock en L.A.M. Leeuwe. Het Hof heeft de zaak schriftelijk behandeld na annulering van de zitting op verzoek van BdC. Het Hof oordeelde dat het Gerecht ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de Leidraad voor het vaststellen van de hoogte van bestuurlijke boetes. Het Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en stelde de boete vast op Afl. 320.000,-, waarbij het de redelijke termijn in acht nam en de matiging van de boete correct toepaste, maar zonder het maximum te respecteren. De uitspraak van het Gerecht werd vernietigd en de nieuwe boete werd vastgesteld op Afl. 320.000,-, die in de plaats treedt van de eerdere beschikking van CBA.

Uitspraak

AUA2025H00018
Datum uitspraak: 14 januari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA),
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 27 december 2024 in zaak nr. AUA202400855, in het geding tussen:
appellante
en
Banco di Caribe N.V., gevestigd in Aruba (hierna: BdC)

Procesverloop

Bij beschikking van 14 oktober 2021 heeft CBA aan BdC een bestuurlijke boete opgelegd van Afl. 360.000,-.
Bij beschikking op bezwaar van 18 januari 2024 heeft CBA de boete gematigd tot Afl. 350.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en het door BdC tegen de beschikking van 14 oktober 2021 gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft het Gerecht het daartegen door BdC ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd, de boete vastgesteld op Afl. 247.500,- en bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden beschikking.
Tegen deze uitspraak heeft CBA, vertegenwoordigd door mr. A.A.D.A. Carlo, hoger beroep ingesteld.
BdC, vertegenwoordigd door mrs. M.A. Kock en L.A.M. Leeuwe, heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 9 oktober 2025. De zitting is op verzoek van BdC geannuleerd. Op verzoek van beide partijen is vervolgens volstaan met een schriftelijke behandeling. Partijen hebben hun pleitnota’s ingediend en door het Hof gestelde vragen schriftelijk beantwoord.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. CBA heeft op 14 oktober 2021 een boete van in totaal Afl. 360.000,- opgelegd: een boete van Afl. 200.000,- voor overtreding van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening voorkoming en bestrijding witwassen en terrorismefinanciering (AB 2011, no. 28) (hierna: Lwtf) vanwege het niet voldoen aan de eis van doorlopende controle op haar cliënten en een boete van Afl. 160.000,- voor overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Lwtf vanwege het niet tijdig melden van ongebruikelijke transacties. In de bestreden beschikking heeft CBA de boete op Afl. 360.000,- gehandhaafd, maar deze vanwege overschrijding van de redelijke termijn met Afl. 10.000,- gematigd tot Afl. 350.000,-. In hoger beroep gaat het alleen om de hoogte van de boete zoals door het Gerecht vastgesteld.

De uitspraak van het Gerecht

2. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de aan BdC verweten overtredingen niet zijn betwist, maar dat CBA bij het nemen van de bestreden beschikking ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de ‘Leidraad vaststellen van de hoogte van bestuurlijke boetes’ (hierna: de Leidraad). Om die reden heeft het Gerecht de bestreden beschikking vernietigd. Vervolgens heeft het Gerecht aan de hand van de zeven stappen uit de Leidraad zelf de boete vastgesteld. Over de Leidraad heeft het Gerecht overwogen dat het daarin neergelegde beleid de uitvoerbaarheid, transparantie, rechtseenheid en rechtszekerheid bij het gebruik van de bevoegdheid om een boete op te leggen bevordert. Het Gerecht overweegt verder dat de Leidraad in zijn algemeenheid voldoende mogelijkheden bevat tot differentiatie om een boete te kunnen opleggen, maar dat de boete in dit specifieke geval onevenredig is.
2.1.
Het Gerecht is daarbij uitgegaan van het wettelijke basisbedrag van Afl. 1.000.000,- (Afl. 500.000,- per overtreding). Toepassing van een verlaging van 25% uit stap 1 leidt tot een bedrag van Afl. 750.000,-. Dit bedrag wordt vanwege recidive in stap 3 verdubbeld tot Afl. 1.500.000,-. Vervolgens is op grond van stap 4 wegens objectieve draagkracht de boete met 40% verminderd tot Afl. 600.000,-. Op dat bedrag is een korting van 45% toegepast op grond van de passendheidstoets uit stap 6, waardoor het Gerecht de boete op Afl. 330.000,- als passend en geboden heeft vastgesteld. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn met (bijna) tweeënhalf jaar heeft het Gerecht vervolgens de boete met 25% verlaagd tot Afl. 245.000,-.
De gronden van het hoger beroep
3. CBA betoogt dat het Gerecht bij de toepassing van stap 4 (objectieve draagkracht) het boetebedrag ten onrechte heeft
vastgesteldop 40% van de basisboete. Toepassing van stap 4 had moeten leiden tot
verlagingvan de basisboete met 40%. Verder voert CBA aan dat het Gerecht ten onrechte bij de toetsing van de objectieve draagkracht is uitgegaan van de omzet, terwijl bij kredietinstellingen moet worden uitgegaan van het eigen vermogen. Daarnaast heeft het Gerecht ten onrechte aangenomen dat bij stap 1 het ontbreken van de factoren benadeling van derden, schade aan het vertrouwen in de markt, marktverstoring en financieel, concurrentie- of reputatievoordeel kan leiden tot verlaging van de boete. Ten slotte betoogt CBA dat het Gerecht de boete ten onrechte vanwege overschrijding van de redelijke termijn met 25% heeft gematigd.
Het oordeel van het Hof
4. In antwoord op de door het Hof gestelde vragen heeft CBA aangegeven dat als een of meer van de gronden van het hoger beroep die betrekking hebben op de toepassing door het Gerecht van de Leidraad zou slagen, dit ertoe zou leiden dat de boete hoger zou uitkomen dan de boete van Afl. 360.000,-. die zij in de beschikking op bezwaar heeft opgelegd. Zij heeft daarbij erkend dat dit in strijd met het verbod op reformatio in peius zou komen. Onder deze omstandigheden heeft CBA geen belang bij bespreking van deze hogerberoepsgronden.
4.1.
BdC heeft in het verweerschrift en ook daarna aangevoerd dat het Gerecht in strijd heeft gehandeld met het verbod op reformatio in peius door, anders dan CBA had gedaan, het bedrag van Afl. 750.000,- wegens recidive te verdubbelen. Het Hof stelt vast dat BdC zelf geen hoger beroep heeft ingesteld en is, met verwijzing naar 3.1 van zijn uitspraak van 25 juni 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:146, van oordeel dat dit aan BdC mag worden tegengeworpen. Daarom kan dit punt niet in hoger beroep aan de orde komen.
4.2.
Over de matiging van het boetebedrag met 25% door het Gerecht vanwege overschrijding van de redelijke termijn overweegt het Hof het volgende. In boetezaken bedraagt de redelijke termijn voor bezwaar en beroep samen twee jaar. De redelijke termijn begint te lopen op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete wordt opgelegd. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen, is dat in dit geval de voornemenbrief van CBA van 6 juli 2020.
4.3.
In geval van een beschikking waarbij een boete wordt opgelegd leidt overschrijding van de redelijke termijn tot een verlaging van het boetebedrag met een percentage. Omdat het bij overschrijding van de redelijke termijn gaat om een compensatie vanwege ondervonden spanning en frustratie, is de verlaging van het boetebedrag wel beperkt tot een maximum bedrag (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353). Concreet betekent dit dat bij een overschrijding van minder dan zes maanden de boete met 5% wordt gematigd met een maximum van Afl. 2.500,-. Bij een overschrijding van meer dan zes maar minder dan twaalf maanden wordt gematigd met 10% met een maximum van eveneens Afl. 2.500,-. Voor overschrijding van de redelijke termijn met meer dan één jaar heeft naar het oordeel van het Hof te gelden dat het percentage van 10% waarmee de boete wordt gematigd, per half jaar met 5% wordt verhoogd. Voor een overschrijding van meer dan één maar minder dan twee jaar is een maximum van Afl. 5.000,- van toepassing en bij meer dan twee jaar een maximum van Afl. 10.000,-.
4.4.
Het Gerecht heeft uitspraak gedaan op 27 december 2024. Sinds de voornemenbrief van 6 juli 2020 waren op dat moment twee jaar en ruim vijf maanden te veel verstreken. Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht op zichzelf terecht een matiging met 25% toegepast, maar ten onrechte aan die matiging niet een maximum van Afl. 10.000,- verbonden. Dit betekent dat het Hof de uitspraak van het Gerecht zal vernietigen en de boete zal vaststellen op Afl. 320.000,-.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd voor zover het Gerecht de boete heeft vastgesteld op Afl. 247.500,-. Doende wat het Gerecht had behoren te doen, stelt het Hof de boete vast op Afl. 320.000,-. Deze uitspraak treedt in de plaats van de door het Gerecht vernietigde bestreden beschikking. CBA hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 27 december 2024 in zaak nr. AUA202400855 voor zover het Gerecht de bestuurlijke boete aan Banco di Caribe N.V. heeft vastgesteld op Afl. 247.500,-;
II.
bepaaltdat de bestuurlijke boete aan Banco di Caribe N.V. wordt vastgesteld op Afl. 320.000,-;
III.
bepaaltdat deze uitspraak in de plaats treedt van de beschikking van de Centrale Bank van Aruba van 18 januari 2024.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.