ECLI:NL:OGHACMB:2026:58

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SXM2024H00071
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:934 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding brandverzekering wegens verlopen polis en geen aansprakelijkheid assurantietussenpersoon

Op 29 januari 2023 brak brand uit in het gebouw van Docta Catering N.V. in Sint Maarten, waarbij zij schade van circa US$ 1,5 miljoen leed. Docta vorderde vergoeding van de schade van de verzekeraars ICWI Ltd, ICWI en de assurantietussenpersoon Esurance Caribbean B.V. Het Gerecht in Eerste Aanleg wees de vordering af en veroordeelde Docta in de proceskosten.

Docta stelde in hoger beroep dat de brandverzekering doorlopend zou zijn en niet was geëindigd op 8 november 2022. Het Hof oordeelde dat er een onderbreking in de verzekeringsperiode was, omdat de polis voor het volgende jaar pas op 8 november 2021 inging en er geen premie was betaald voor de periode tussen 18 september 2021 en 8 november 2021. Hierdoor was de verzekering op 8 november 2022 geëindigd.

Esurance had Docta herhaaldelijk gewaarschuwd over het verlopen van de verzekering en de noodzaak tot vernieuwing, onder meer via e-mails en WhatsApp-berichten aan de bedrijfsvoerders. Docta reageerde niet tijdig, waardoor geen nieuwe verzekering tot stand kwam. Het Hof oordeelde dat Esurance niet onzorgvuldig had gehandeld en niet aansprakelijk was voor de schade. Ook de verzekeraars waren niet aansprakelijk omdat zij via Esurance communiceerden.

Het bewijsaanbod van Docta werd afgewezen omdat geen feiten waren gesteld die tot een ander oordeel konden leiden. Het Hof bevestigde het vonnis van het Gerecht en veroordeelde Docta in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het Hof bevestigt dat de brandverzekering was geëindigd en wijst de schadevordering af wegens het ontbreken van een geldige polis en geen aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202300235 – SXM2024H00071
Uitspraak: 18 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
de naamloze vennootschap
DOCTA CATERING N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,
tegen
1. de rechtspersoon naar het recht van Jamaica
THE INSURANCE COMPANY OF THE WEST INDIES LIMITED,
gevestigd in Jamaica en kantoorhoudend in Sint Maarten,
hierna ICWI Ltd.,
2. de besloten vennootschap
THE INSURANCE COMPANY OF THE WEST INDIES (SINT MAARTEN) B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
hierna ICWI,
en
3. de besloten vennootschap
ESURANCE CARIBBEAN B.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden,
thans geïntimeerden,
gemachtigden: voor geïntimeerden 1 en 2: mrs. R.F. Gibson jr. en D.I. Schram,
voor geïntimeerde 3: mrs. M.O. Kortenoever en F.I. Paanakker.

1.De zaak in het kort

Op 29 januari 2023 is omstreeks 05:30 uur brand uitgebroken in het gebouw
District 721 Complexin Sint Maarten, hierna:
het Gebouw.Docta heeft daardoor schade geleden (zij stelt dat de omvang daarvan US$ 1,5 miljoen is). Zij heeft tegen de drie geïntimeerden een vordering ingesteld om die schade aan haar te vergoeden. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna:
het Gerecht) heeft die vordering afgewezen in zijn vonnis van 23 april 2024. Docta is daarbij in de proceskosten van de procedure bij het Gerecht veroordeeld. Het Hof is het met die beslissingen eens, bevestigt het vonnis en veroordeelt Docta in de kosten van het hoger beroep. Hieronder wordt uitgelegd waarom het Hof zo beslist, na een schets van het procesverloop en een weergave van vaststaande feiten.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Docta heeft haar hoger beroep ingesteld door indiening op 3 juni 2024 van een akte (gedateerd op 4 juni 2024). Zij heeft op 15 juli 2024 een memorie van grieven ingediend. De akte en memorie zijn aan ICWI Ltd, ICWI en Esurance uitgereikt (betekend).
2.2
Esurance heeft op 12 september 2024 een memorie van antwoord ingediend en ICWI Ltd en ICWI hebben op 19 september 2024 gezamenlijk een memorie van antwoord ingediend.
2.3
Op de zitting van het Hof op 14 mei 2025 hebben de partijen tegelijkertijd pleitnota’s overgelegd, waarbij ICWI Ltd en ICWI samen één pleitnota hebben opgesteld. Het Hof heeft op die zitting bepaald dat het vonnis zal wijzen. Dat is dit vonnis.

3.De vaststaande feiten

Docta heeft in haar memorie van grieven bezwaren aangevoerd tegen een deel van de feiten die volgens het vonnis van het Gerecht zouden vaststaan. Het Hof stelt daarom hieronder de feiten vast die in hoger beroep vast staan en die het van belang acht voor de beoordeling van de vorderingen.
3.1
Docta is een in Sint Maarten gevestigde horeca-onderneming. Haar eigenaresse woont in Canada. De zoon van de eigenaresse, [zoon van de eigenaresse] (hieronder
[zoon van de eigenaresse]),was bevoegd om namens Docta financiële beslissingen te nemen, bijvoorbeeld tot het sluiten van verzekeringsovereenkomsten. De partner van de zoon, [partner van de zoon] (hierna:
[partner van de zoon]), is eveneens bij de bedrijfsvoering van Docta betrokken.
3.2
ICWI Ltd en ICWI zijn verzekeringsmaatschappijen en Esurance is een assurantietussenpersoon. Docta heeft voor het Gebouw door tussenkomst van Esurance een brandverzekering afgesloten bij ICWI Ltd en/of ICWI, waarvan de looptijd op 18 september 2020 aanving.
3.3
Esurance heeft op 19 oktober 2021 aan ICWI medegedeeld dat Docta
‘has confirmed to reinstate’ de verzekering, zij het met een hogere dekking. Dit leidde ertoe dat Docta een polisblad ontving waarop staat dat de brandverzekering gold voor de periode 8 november 2021 om 04:01 uur PM tot 8 november 2022 om 04:00 PM.
3.4
In de periode oktober 2022 tot en met januari 2023 heeft Esurance de volgende berichten verstuurd:
- op 17 oktober 2022 een e-mail naar een verkeerd adres
- op 28 december 2022 WhatsApp-berichten aan [zoon van de eiganeresse] met de inhoud:
We have tried to contact you for the renewal of the insuranceen
This one has expireden
Do you want to renew your policy?- op 28 december 2022 een WhatsApp-bericht aan [partner van de zoon], onder meer met de tekst:
Today I also sent a message to [naam] with regards to the insurance. We haven’t received renewal instructions for District 721. Can you let me know if the insurance needs to be renewed?(dit bericht is op 8 januari 2023 door [partner van de zoon] beantwoord met:
Hello. I just came back. Thank you. I will check on Monday.)
- op 12 januari 2023 een WhatsApp-bericht aan [partner van de zoon] met de tekst:
Hi, can you let me know if you would like to renew the policy.- op 19 januari 2023 WhatsApp-berichten aan [zoon van de eigenaresse] met onder meer de tekst:
We have not received any renewal instructions from you for the insurance of the district. We will close the file. Keep in mind that once the file has been closed, it will be more difficult to get insured.
3.5
Op 29 januari 2023 om 14:18 uur (ongeveer 9 uur na het tijdstip waarop de brand uitbrak) heeft Docta per bank US$ 5.193,- aan Esurance betaald. Esurance heeft dit bedrag op 3 februari 2023 terugbetaald.

4.De beoordeling door het Hof

de brandverzekering
4.1
De looptijd van de brandverzekering eindigde volgens het polisblad dat in het najaar van 2021 aan Docta is afgegeven op 8 november 2022 om 4 uur ‘s middags. Docta beroept zich erop dat die verzekering op 8 november 2022 toch niet is geëindigd, omdat de brandverzekering volgens de afspraken die in 2020 zijn gemaakt automatisch zou worden verlengd, oftewel doorlopend zou gelden. Het Gerecht heeft die stelling in rov 4.4 van het vonnis verworpen. Docta herhaalt haar stelling in hoge beroep. Het Hof gaat daarin niet mee, dit op grond van het volgende.
4.2
De eerste dag van de looptijd van de brandverzekering viel op 18 september 2020. De premie die Docta daarvoor (in termijnen) moest betalen, had betrekking op het eerste jaar. Indien de verzekering doorlopend zou hebben gegolden, zou de polis voor het volgende jaar dus als ingangsdatum 18 september 2021 hebben moeten vermelden. Dat blijkt niet het geval. De ingangsdatum daarvan is 8 november 2021. Docta stelt niet dat zij voor de periode 18 september 2021 tot 8 november 2021 premie heeft betaald. Dat zij dat heeft gedaan, blijkt op andere wijze evenmin. Er zat dus een gat in de verzekerde periode. Dit is een duidelijke aanwijzing dat de geïntimeerden zich terecht op het standpunt stellen dat de verzekering zowel in 2020 als in 2021 voor de periode van een jaar werd aangegaan. Hieruit blijkt dat de brandverzekering op 8 november 2022 is geëindigd. Er is geen sprake van ‘vervolgpremie’ en artikel 7:934 BW Pro is niet van toepassing.
4.3
Docta heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan zij er op heeft vertrouwd en op mocht vertrouwen dat er op 29 januari 2023 een brandverzekering voor het Gebouw gold. De mededelingen van Esurance wijzen erop dat zij daarvoor had moeten instemmen, maar van instemming binnen een redelijke termijn blijkt niets. Bovendien zou instemming pas tot gevolg hebben dat er dekking werd verleend nadat de verzekeraar daarmee akkoord was.
4.4
Nu ten tijde van het uitbreken van de brand geen brandverzekering gold, is de primaire vordering ongegrond. Wie van de twee verzekeraars de eerdere verzekeringen met Docta heeft afgesloten en of Docta de premie voor de verzekering die haar in december 2022 is aangeboden in termijnen had mogen betalen, is niet relevant.
geen onzorgvuldigheid van Esurance
4.5
Esurance is naar het oordeel van het Hof onzorgvuldig geweest door het mailbericht van 17 oktober 2022 aan een verkeerd adres te sturen. Of een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantie-tussenpersoon waarschuwingen moet sturen als een verzekering dreigt te eindigen, zal het Hof hier niet beoordelen. Indien Esurance dat eerder dan op 28 december 2022 had moeten doen, dan zou dat nog niet ertoe hebben geleid dat Docta de aangeboden verzekering had afgesloten. De waarschuwingen die Esurance op de laatst vermelde datum heeft verstuurd, hadden Docta duidelijk moeten maken dat de brandverzekering was verlopen (
expired) en moest worden vernieuwd (door
renewal). De mededelingen zijn in het Engels gedaan en hebben in elk geval [partner van de zoon] bereikt. Docta ontkent niet dat de berichten van 28 december 2022 [zoon van de eigenaresse] ook hebben bereikt. Die ontkenning zou haar ook niet hebben geholpen: Esurance mocht ervan uitgaan dat ook [zoon van de eigenaresse] op de hoogte was van de noodzaak om te beslissen of Docta opnieuw een verzekering zou afsluiten. Ook indien de eigenaresse van Docta (die in [land] woont) de Engelse taal niet beheerst, wist Docta van de urgentie doordat [zoon van de eigenaresse] en [partner van de zoon] de berichten, naar aangenomen moet worden, wel hebben begrepen. Nadat Esurance nog eens had medegedeeld dat zij het dossier zou sluiten en dat een nieuwe verzekering misschien minder makkelijk kon worden afgesloten, heeft Docta nog steeds niet gereageerd, totdat de brand uitbrak.
4.6
Dat Docta de brandschade niet kan verhalen op de verzekeraars valt, gelet op het voorgaande, niet als een gevolg van de onjuiste adressering van het mailbericht van 17 oktober 2022 aan te merken. Docta heeft deze vergissing voor het uitbreken van de brand weer recht gezet en heeft Docta in staat gesteld om een verzekering af te sluiten die ten tijde van het uitbreken van de brand dekking zou bieden. De oorzaak van het nadeel dat Docta lijdt is, dat zij niet heeft gereageerd op de verzoeken van Esurance. Esurance is daarom niet aansprakelijk, niet uit wanprestatie en ook niet uit onrechtmatige daad.
ICWI Ltd en ICWI hebben evenmin onrechtmatig gehandeld
4.7
Docta vindt dat (ook) ICWI Ltd en ICWI haar hadden moeten waarschuwen. Zij gaat hiermee ten onrechte voorbij aan de rol van Esurance. ICWI Ltd en/of ICWI communiceerde(n) steeds via Esurance en mochten erop vertrouwen dat Docta door Esurance op de hoogte werd gesteld van het verlopen van de looptijd van de brandverzekering en de noodzaak om in te stemmen met een nieuwe verzekering. De verzekeraars zijn evenmin aansprakelijk.
bewijsaanbod
4.8
Docta heeft aangeboden nader bewijs te leveren, maar zij heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof wijst haar bewijsaanbod daarom af.
de slotsom
4.9
Geen van de grieven slaagt, zodat het Hof het vonnis van het Gerecht zal bevestigen. Omdat Docta in het ongelijk wordt gesteld, veroordeelt het Hof haar in de kosten van het hoger beroep. Het begroot de kosten die zij moet vergoeden als volgt:
- kosten van ICWI Ltd en ICWI: Cg. 249,50 aan verschotten en Cg. 27.000 (3 punten, tarief 11) voor salaris van de gemachtigde
- kosten van Esurance: Cg. 249,50 voor explootkosten en Cg. 27.000 (3 punten, tarief 11) voor salaris van de gemachtigde. Indien niet op tijd wordt betaald, is Docta tevens rente verschuldigd. De veroordeling tot vergoeding van deze kosten kan ook worden afgedwongen indien de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (uitvoerbaarheid bij voorraad), een en ander zoals Esurance heeft gevorderd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
5.1
bevestigt het vonnis met zaaknummer SXM202300235 dat het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten op 23 april 2024 tussen partijen heeft uitgesproken;
5.2
veroordeelt Docta in de kosten van het hoger beroep;
5.3
begroot de kosten die Docta aan ICWI Ltd en ICWI moet vergoeden op Cg 249,50 aan verschotten en Cg. 27.000 aan salaris gemachtigde;
5.3
begroot de kosten die Docta aan Esurance moet vergoeden op op Cg 249,50 aan verschotten en Cg 27.000 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
5.4
verklaart de veroordeling onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.