ECLI:NL:OGHNAA:2010:BK9432

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Datum uitspraak
5 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AR 529/06-H-43/09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3:310 lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verjaringsverweer in civiele zaak over verbouwingskosten en exploitatieverlies

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg (GEA) dat zijn vordering verjaard is. Hij stelde dat hij recht heeft op een inhoudelijke behandeling van zijn zaak op grond van artikel 6 EVRM Pro, maar dit beroep werd verworpen omdat verjaring een geldige procesverhindering vormt.

De vordering van appellant betrof ongerechtvaardigde verrijking wegens verbouwingskosten, achtergebleven inventaris en verlies van exploitatievergunning na ontbinding van een huurovereenkomst en ontruiming van het pand in januari 1998. De verjaringstermijn van vijf jaar was op dat moment al verlopen toen appellant in 2006 pas aansprakelijkstelling deed.

Het hof oordeelde dat appellant de verjaring had kunnen stuiten maar dit niet had gedaan, en dat omstandigheden zoals het niet weten van het adres van geïntimeerde daaraan niet afdoen. Het hof bevestigde het vonnis van het GEA en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de vordering van appellant verjaard is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

Registratienummer: AR 529/06-H-43/09
Uitspraak: 5 januari 2010
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Vonnis in de zaak van:
[appellant],
wonende op Curaçao,
oorspronkelijk eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellant,
gemachtigde: mr. A.I. Martis,
- tegen -
[geïntimeerde],
wonende te New York in de Verenigde Staten van Noord-Amerika,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. Z.V.I. Isenia.
Partijen worden hierna "[appellant]" en "[geintimeerde]" genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Op 11 september 2006, 12 mei 2008 en 11 augustus 2008 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (verder: GEA) tussen partijen vonnissen gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar die vonnissen.
1.2 [appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 augustus 2008 door op 22 september 2008 een akte van hoger beroep in te dienen. Bij op 3 november 2008 ingekomen memorie van grieven heeft hij twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en zijn vordering alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.
1.3 Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.
1.4 Op de voor pleidooi nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd.
2. De beoordeling
2.1 De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof te onderwerpen en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2 [appellant] is opgekomen tegen het oordeel van het GEA dat de vordering van [appellant] is verjaard. [appellant] stelt daartoe dat hij toegang tot de rechter wenst te krijgen en hij wenst dat zijn zaak inhoudelijk behandeld wordt. Hij doet daarbij een beroep op artikel 6 EVRM Pro. Dit beroep faalt. Dat [appellant] recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter staat buiten kijf. Daaruit volgt echter niet dat hij recht heeft op een inhoudelijke behandeling van het geschil, met voorbijgaan aan het door [geintimeerde] gedane beroep op verjaring. Dat [appellant], zoals hij stelt, jarenlang tevergeefs heeft geprobeerd zijn zaak tegen [geintimeerde] aanhangig te maken doordat diverse advocaten weigerden de zaak in behandeling te nemen en de verschillende instanties geen gehoor gaven aan de klachten die hij daarover heeft ingediend, maakt dit niet anders. Niets behoefde er aan in de weg te staan dat [appellant] de verjaring had gestuit en/of een vordering bij het gerecht had ingediend. Voorts komen de gestelde omstandigheden in de verhouding tussen [appellant] en [geintimeerde] voor risico van eerstgenoemde.
2.3 De vordering van [appellant] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft betrekking op verbouwingskosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt ten behoeve van een destijds door hem van [geintimeerde] gehuurd pand, daarin achtergebleven inventaris en voorraden en verlies van zijn exploitatievergunning, waardoor hij zijn bedrijf niet meer kon voortzetten. Het vonnis waarin de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en de ged[geintimeerde]en ontruiming is uitgesproken dateert van 8 december 1997. Onder gevolg van dat vonnis heeft [appellant] op 12 januari 1998 het pand ontruimd. [appellant] is in ieder geval op dat moment bekend geworden met de schade die hij thans vordert en de aansprakelijke persoon, zodat op die datum de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro is gaan lopen. [appellant] heeft [geintimeerde] bij brief van 6 februari 2006 aansprakelijk gesteld voor voornoemde schade. [appellant] heeft tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg erkend dat hij [geintimeerde] niet eerder dan rond 2006 aansprakelijk heeft gesteld. Op dat moment was de verjaringstermijn van vijf jaar al verlopen en de vordering van [appellant] dus verjaard. De omstandigheid dat [appellant] mogelijk niet op de hoogte is geweest van het adres van [geintimeerde] brengt daar geen verandering in.
2.4 Uit het voorgaande vloeit voort dat het GEA terecht heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] dient te worden afgewezen (welke term overigens niet-ontvankelijkverklaring mede omvat). Het oordeel van het GEA, dat aan de vordering in reconventie niet wordt toegekomen, omdat [geintimeerde] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat zij haar vordering voorwaardelijk had ingesteld, staat niet ter beoordeling van het Hof, omdat [geintimeerde] geen hoger beroep heeft ingesteld.
2.5 Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd en zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, waarbij gelet op de inhoud van de processtukken die door [geintimeerde] zijn gediend, in totaal twee punten conform het liquidatietarief zullen worden toegekend.
BESLISSING:
Het Hof,
rechtdoende in hoger beroep:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [geintimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAF 262,88 aan verschotten en NAF 3.400,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.L. Wattel en M. Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 5 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.