Appellant, sinds 1979 in dienst, verzocht om bevordering naar de rang van opzichter A binnendienst (schaal 9). Dit verzoek werd afgewezen omdat hij niet beschikte over het diploma Middle Management 1 (MM1), een vereiste voor deze bevordering. Appellant voerde aan dat dit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en dat hij ten onrechte was gepasseerd op de rangenlijst.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de bestreden beschikking redelijk was genomen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en vroeg tevens om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat benoeming in een carrièrefunctie zonder alle vereisten mogelijk is, maar bevordering vereist het voldoen aan alle voorwaarden, waaronder het diploma MM1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, evenals het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat appellant niet kon afdwingen dat eerdere fouten van de werkgever ten aanzien van anderen ook op hem werden toegepast.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het zich bevinden op een bepaalde plek op de rangenlijst geen betekenis heeft voor bevordering. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het hoger beroep werd verworpen.